Onderzoek naar rubber in kunstgras leidt tot tegengestelde conclusies

Een medewerker van Vereniging Band en Milieu verzamelt rubberkorrels op een voetbalveld van kunstgras van voetbalvereniging Roda 23 in Amstelveen. De korrels worden op het laboratorium van de brancheorganisatie getest op de aanwezigheid van kankerverwekkende stoffen. Foto Koen van Weel/ANP

De discussie over de veiligheid van rubbergranulaat in kunstgrasvelden is opnieuw opgelaaid. Het product voldoet aan een industriële norm, maar zou moeten voldoen aan de strengere norm voor consumentenproducten.

De rubberkorrels van oude autobanden bevatten kankerverwekkende stoffen als benzeen, tolueen en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s). Volgens de bandenbranche voldoet het rubbergranulaat op Nederlandse kunstgrasvelden ruim aan Europese normen. Brancheorganisatie VACO baseert zich op metingen aan vijftig kunstgrasvelden. De velden zijn veilig, hield ze gemeenten en sportbesturen deze week voor.

Toxicoloog Martin van den Berg van de Universiteit Utrecht trekt de tegenovergestelde conclusie. „In de rubberkorrels zit 1 tot 10 milligram per kilogram aan kankerverwekkende stoffen. Van enkele soorten PAK’s overschrijdt de concentratie de norm die geldt voor consumentenproducten. Die ligt ruim duizend keer lager dan de norm die geldt voor technische mengsels, waar de VACO zich op baseert.”

Volgens Van den Berg heeft de bandenindustrie in het verleden „een slimme manoeuvre” gemaakt door de rubberkorrels buiten de wetgeving voor consumentenproducten te houden. „Maar er zitten schadelijke stoffen in en het gaat erom in hoeverre je die binnenkrijgt tijdens het sporten. Over rubbertegels in speeltuinen heeft de NVVA al gezegd dat die zouden moeten voldoen aan consumentennormen.”

Bij rubberkorrels op sportvelden gaat het om inademing, huidcontact en inslikken. Beter onderzoek is nodig of dit kwaad kan, vindt Van den Berg. „Er spelen wel kinderen op deze velden en die komen vaak min of meer zwart van de rubberkorrels terug van een wedstrijd of training. Het gaat om dezelfde stoffen waar we ons zorgen over maken bij roken en barbequeen. Die blootstelling wil je tot een minimum beperken. Bij kinderen zou daarom het voorzorgsprincipe moeten gelden.”