Interview

Een elite van ex-slaven en hun nazaten

Ellen Neslo Jurist Ellen Neslo ging op zoek naar haar voorouders, en ontdekte de vergeten negentiende-eeuwse gekleurde bovenlaag van Paramaribo.

Foto Merlijn Doomernik

Bij de Surinaamse volkstelling van 1811 wordt Paulina van der Meer, dan 43 jaar oud, gerekend tot de ‘vrije gekleurde bevolking’ van Paramaribo. Zij is de concubine van de blanke molenmaker Klaas van der Meer, met wie ze drie kinderen heeft.

In 1830 woont Paulina met twee van haar kinderen in het rijkste deel van Paramaribo. Haar zonen hebben slavinnen als partners. Die kopen ze samen met hun slavenkinderen vrij, waarbij moeder Paulina borg staat voor maar liefst 20.000 gulden.

De Van der Meers behoren tot de vrije, niet-blanke middenklasse van Paramaribo, een groep die in de eerste helft van de negentiende eeuw door vrijkoop van slaven snel groeit en die ambachtslieden, juristen, artsen en planters telt. Toch is die groep in de geschiedschrijving over de slaventijd wat op de achtergrond gebleven.

Een verre nazaat van Paulina is de juriste Ellen Neslo – haar oma van vaderskant heette Doortje van der Meer. Toen ze jaren geleden in het Nationaal Archief op zoek ging naar haar voorouders viel ze van de ene verbazing in de andere. Ze vond in de wijkregisters van Paramaribo (bijgehouden van 1828 tot 1847) de namen van alle vrije niet-blanke bewoners, hun beroepen, hun partners, kinderen en aantallen slaven.

Het trof haar hoe omvangrijk de groep vrijgemaakten was en hoe goed die het economisch deed. Ze besloot deze gekleurde middenklasse en elite in kaart te brengen voor de jaren 1800-1863, dus tot de afschaffing van de slavernij. Op die studie is ze vrijdag in Utrecht gepromoveerd.

„Ik wist dat er vrijgemaakte slaven waren,” vertelt Neslo, „en uit de literatuur maakte ik op dat die mensen arm waren”. De Surinaamse socioloog Rudolf van Lier (Samenleving in een grensgebied, 1949) schrijft dat dit het ‘stadsproletariaat’ van Paramaribo was. „Maar uit die registers en archieven duikt een heel ander beeld op. Mijn voormoeder Paulina van der Meer was rijk en dat was raar, want ik dacht dat alleen blanken rijk waren.”

De groep vrije niet-blanken was onverwacht groot. „Aan het eind van de slaventijd waren het er 14.000, tegen 2.000 blanken en 5.000 slaven. Ze maakten 65 procent uit van de bevolking van Paramaribo, en uit deze groep was een heuse elite ontstaan. Uit testamenten blijkt dat vrijen veel slaven, onder wie familieleden, hebben vrijgekocht. Bij vrijkoop gaven ze de ex-slaaf een bedrag mee, ter bekostiging van een opleiding. Onderwijs gold als belangrijk in een samenleving die werd gedomineerd door blanken.”

Neslo vindt dat het gangbare beeld van de plantagekolonie Suriname moet worden bijgesteld. „Er is altijd alleen gekeken naar planters, slaven en weglopers (marrons). Het ging ook altijd over de plantage, zelden over de stad. En er is nog maar heel weinig archiefonderzoek gedaan. De historici Alex van Stipriaan en Gert Oostindie zijn daarmee begonnen, maar die hebben alleen gekeken naar plantages. Mijn studie is de eerste over Paramaribo en haar gekleurde elite. We zijn alle drie van mening dat archiefonderzoek een dynamischer beeld van de slavernij laat zien. Slaven waren niet volstrekt machteloos, ze hadden ‘agency’, het deed ertoe wat zij deden. Menige slaaf bevocht de ‘schat des vrijdoms’ zelf.”

Die vrijkoop werd niet gemakkelijk gemaakt. Neslo: „Het was duur. Omgerekend zou het nu zo’n 11.000 euro zijn per slaaf. Verder moest je een ‘manumissiebrief’ kopen, dat was 500 gulden voor een volwassene en 300 voor een kind. Ook moest je als gewezen slaaf lid zijn van een kerkgenootschap. Tenslotte moest iemand aantoonbaar werk hebben. De meesten waren niet in loondienst, maar waren ambachtsman, naaister of vroedvrouw. Dan moest iemand borg voor hen staan, en verklaren dat ze hun eigen boterham konden verdienen.”

Binnen de groeiende middenklasse van vrije niet-blanken ontstond in de negentiende eeuw een gekleurde elite. Neslo volgde 162 personen in de periode 1800-1863. „Van hen hebben tien mannen een universitaire studie afgerond in Nederland. Cornelis Vlier, Hendrik Focke en Johannes Palthe Wesenhagen promoveerden in de rechtsgeleerdheid. En componist Nicodemus Helstone studeerde cum laude af aan het conservatorium van Leipzig.”

In de negentiende-eeuwse literatuur wordt vaak gezegd dat vrije niet-blanken neerkeken op zwarten; er zou sprake zijn van een ‘kleurhiërarchie’. Neslo: „Er zijn net zo goed aanwijzingen voor het tegendeel. Heel wat vrije kleurlingen hadden een zwarte moeder, of familieleden die nog slaaf waren. Zo heb ik het testament gezien van ene Koopman, een mulat [kind van een zwarte en een blanke, red.]. Hij laat zijn twee ‘negerinnenzussen’ – zo noemt hij ze – behoorlijke sommen geld na. En hij is niet de enige.”

Bij de koloniale overheid speelde kleur wel een rol. Neslo: „De loopbaanmogelijkheden van kleurlingen waren beperkt. Hendrik Focke was een geweldig jurist en lid van de KNAW. Hij had president van het Gerechtshof in Suriname kunnen worden, maar rechters uit Nederland gingen voor. Uiteindelijk werd hij voorzitter van een ‘rechtbank van kleine zaken’, net ietsje minder. Ik noem dat een ‘houten plafond’. Maar als arts, ambachtsman of advocaat kon je het maken. Je kon bezit verwerven, plantages kopen. Vaak wonnen economische overwegingen het van racisme. Het land dreef op ambachtslieden en verreweg de meesten waren vrije kleurlingen. Je kon niet om hen heen.”