Column

Voortand

marcelroosmalen0

Een paar weken geleden overleed de laatste broer van mijn vader. Als ik nog iets over mijn vader te weten had willen komen, had ik het hem moeten vragen. Hij was vroeger ‘assistent-schoenmaker’ en liet drie paar schoenen en meerdere fotoalbums na. De foto’s werden ingescand en verspreid onder geïnteresseerde familieleden. Ik zag mijn vader zoals ik hem nooit gekend had. Een wat cameraschuwe jongen, de haren keurig in een scheiding, al relatief jong in pak. Ik vond hem aan de zijkant van de familieportretten. Als je hem eraf zou knippen was het alsof hij er nooit had gestaan.

Ik kon het niet nalaten om zijn hoofd met duim en wijsvinger op het scherm van mijn iPhone te vergroten. Toen pas zag ik dat hij lange tijd een voortand moest missen. Ik dacht een jeugdtrauma op het spoor te zijn en informeerde ernaar bij mijn moeder. Ze liet een lepel in het pak Brinta – ze eet sinds kort weer pap – vallen en vroeg waar of ik nu weer mee bezig was. Ze vond het vreemd dat ik die foto’s had uitvergroot.

„Wie doet zoiets?”

„Ik”, zei de gek.

Zoals gebruikelijk ontkende ze in eerste instantie.

„Je vader had gewoon tanden.”

Nadat ze de foto’s zelf had gezien, zei ze dat het haar eigenlijk nooit zo was opgevallen. „Daar lette je niet op als je iemand tegenkwam. Bovendien kwam ik hem tegen in de bus van Oirschot naar Middelbeers.”

„Waar lette je eigenlijk wel op?”, vroeg ik.

„Op andere dingen”, zei ze. „Ik vond hem meteen aardig.”

Ze had er schijnbaar over nagedacht want vorige week kwam ze terug op het gebit van mijn vader.

„Bij onze eerste afspraak viel het me meteen op. ‘Je bent een aardige jongen, maar daar moet je wat aan laten doen’, heb ik gezegd. Toen we trouwden was het helemaal in orde.”

Ze voegde eraan toe dat tandartsen destijds ook al duur waren en dat hij ervoor op kamers was gaan wonen.

„Anders had hij die tand natuurlijk nooit kunnen betalen. Hij werkte op het gemeentehuis en moest zolang hij nog thuis woonde al zijn geld afgegeven. Hij kon niets achterhouden, oma wist precies wanneer het kwam.”

„Hoe dan?”, vroeg ik.

„Ach”, zei mijn moeder. „Van de burgemeester natuurlijk, dat mens fietste de hele dag door het dorp.”

Als ik vroeger na een familiefeest zei dat het in Noord-Brabant altijd zo gezellig was met al dat gedrink en dat worstenbrood waarschuwde mijn vader: „Ga er nooit wonen!”

Ik begreep dat opeens nog beter.

Marcel van Roosmalen heeft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.