Column

Ruimte geeft rust en ongezelligheid

marjoleinedevos0

Graskop in Zuid-Afrika is maar een klein plaatsje, dus hoe we kans hadden gezien er min of meer te verdwalen was tamelijk raadselachtig. Maar ineens reden we over asfalt met heel veel gaten tussen kleine huisjes door. Overal waren mensen, ze zaten bij hun huizen, ze liepen over straat, meisjes waren aan het touwtje springen, mannen hingen uit hun autoraam om met andere mannen te praten, vrouwen sloften voorbij met boodschappentassen, jongetjes op fietsen crossten lachend overal tussendoor.

Het was geen rijke wijk – dat hele Graskop is niet bepaald een erg welgesteld plaatsje – maar het was ook geen krottenwijk. De huizen waren van steen, mensen hadden vaak een veranda, een stukje tuin, een schuurtje bij het huis, maar de huizen stonden wel tamelijk dicht op elkaar. Niet bepaald afgescheiden tuinen met hoge hagen ertussen. Het maakte eigenlijk een bijzonder gezellige indruk.

Dat komt makkelijk in de buurt van het zelfgenoegzame cliché over ‘die mensen’ die dan wel arm zijn maar toch zo vrolijk. Dat mensen op straat lachen en praten wil niet zeggen dat alles geweldig goed gaat, natuurlijk niet.

Onlangs publiceerde de Correspondent een eerste resultaat van het initiatief Nieuw in Nederland, waarin leden van de Correspondent contact zoeken met vluchtelingen en ze vragen stellen. Eén van die vragen was: „Wat moeten Nederlanders weten om te begrijpen hoe jij je voelt in hun land?”

Een aantal van de antwoorden ging over het verschil in cultuur tussen Nederlanders en (voornamelijk) Syriërs. De bekende klacht over onze gewoonte om alles op afspraak te doen kwam ter sprake, en dat zij het onbeleefd vinden om ‘nee’ te zeggen terwijl wij ons ergeren aan ‘ ja, misschien’ en dan niet komen opdagen. Iemand zei: „Het is hier zo stil, alles is dicht om zes uur, niemand is buiten. Het is eenzaam en saai, kinderen kijken televisie en spelen op hun computer.”

Ik dacht aan mijn eigen dorp. Er wonen maar 130 mensen, maar de meesten daarvan zie ik nooit of bijna nooit. Iedereen rijdt in zijn of haar auto tot bij huis, en stapt dan meteen de voordeur binnen. Er zijn geen winkels, er is dus, behalve als je een hond hebt, geen reden om op straat te lopen. Tuinen zijn over het algemeen achter de huizen, zoveel mogelijk buiten het zicht van de straat. In het iets grotere dorp een eindje verderop is het niet veel anders. Alleen bij de supermarkt zie je mensen.

In Amsterdam neemt het aantal een- en tweepersoonshuishoudens flink toe. Al die mensen in hun eentje of met z’n tweeën in een groot huis, in hun eentje in een grote auto.

Blijkbaar gebeurt dat als de rijkdom toeneemt. Mensen wonen niet meer met z’n tienen in een vochtige kelderwoning in de Jordaan, maar in hun eentje in het hele pand boven die kelder. Ik las eens dat zelfs eencelligen als er voldoende voedsel is meer afstand nemen tot elkaar. Welstand geeft ruimte. Ruimte geeft rust en privacy. En ongezelligheid.

Ik schrijf dit in een groot huis in Houtbaai, een plaatsje vlakbij Kaapstad. Als ik uit het raam kijk zie ik over het groen heen aan de andere kant van het dal dichtaaneengeregen golfplaten dakjes tegen de berg aan. Daar, in Imizamo Yethu klinkt ‘s avonds muziek op, geschreeuw soms.

Misschien is dat gezellig. Ik kan alleen maar hopen dat zij dat vinden. En voel me bevoorrecht in deze saaie stilte.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.