Peilingen, dat zijn dus geen voorspellingen

Opinieonderzoek

Nu nog maar drie op de tien kiezers trouw zijn aan één partij, hebben opiniepeilers het lastig. Peilingen creëren een eigen werkelijkheid en dienen te vaak om een bepaald narratief te ondersteunen, zeggen experts. Een peiling voorspelt de uitslag niet, geven ook de peilers toe, maar is „een geschenk aan de samenleving”.

PVV-leider Wilders brengt zijn stem uit bij het Oekraïne-referendum in april. Foto ANP / Martijn Beekman

De rechtszaak tegen Geert Wilders doet de PVV goed: de partij wint deze week weer drie zetels, meldden onder andere Metro en De Telegraaf zondag. De bron van dit nieuws: de zetelpeiling van Maurice de Hond. Iedere zondag komt De Honds Peil.nl met zijn laatste peilingen, die worden overgenomen door talloze media.

Het ergert politicologen vreselijk. Niet dat De Hond met die wekelijkse peiling komt, maar dat media zo’n peiling – één peiling – beschouwen als zelfstandig nieuws. Wat overigens ook geldt als kranten, radio, tv en nieuwssites de zetelpeilingen van TNS Nipo, de Politieke Barometer van Ipsos, I&O Research of een andere opiniepeiler klakkeloos overnemen.

Want juist in campagnetijd sturen peilingen het debat, de politici, en de kiezer, zeggen ze. Welke lijsttrekkers er straks mogen meedoen aan de televisiedebatten hangt af van de peilingen, journalisten stemmen hun vragen af op hoe een partij het doet in de zetelpeilingen, partijen passen hun campagne erop aan, en uiteindelijk baseren strategische kiezers hun keuze op peilingen.

Zo creëren ze een eigen werkelijkheid. „Dat is niet erg”, zegt bijvoorbeeld Tom van der Meer, hoogleraar politicologie aan de Universiteit van Amsterdam. „Kiezers baseren hun keuze ook op ideologische gronden of het kontje van de partijleider. Maar de informatie die journalisten hun aanreiken, moet dan wél kloppen.”

En dat is het probleem.

In de Verenigde Staten klinkt na de verkiezing van Donald Trump een mea culpa van de media. Ze waren opgehouden data kritisch te bekijken toen die hun eigen vooroordelen leken te bevestigen. Dat is ook de waarschuwing van politicologen en opiniepeilers: peilingen zijn géén voorspellingen, al hebben de media de neiging – en via hen de kiezers – ze wel zo te beschouwen.

Foutmarges en trends

„Een peiling is een steekproef”, zegt Joop van Holsteyn, hoogleraar kiezersonderzoek aan de Universiteit Leiden. „Als bureau X twee identieke peilingen zou houden onder elk tweeduizend willekeurig gekozen kiezers, dan is het zéér onwaarschijnlijk dat de uitkomst exact dezelfde zal zijn. Dat is de aard van het beestje, en dat wordt nog wel eens misverstaan.”

„Zwaar overspannen”, noemt ook zijn collega Tom Louwerse de focus op enkele peilingen. Hij is de man achter de Peilingwijzer, een gewogen gemiddelde van vijf zetelpeilingen. Uit peilingen, meent hij, kun je ten hoogste een trend afleiden. „Als de PvdA al weken laag staat, zegt dat wel iets. Namelijk dat de partij niet zo populair is.”

Met statistiek moet je altijd voorzichtig zijn. Doordat de steekproef willekeurig is, is er ook een bepaalde marge van onzekerheid. Die marge wordt vaak vergeten, terwijl die juist in de Nederlandse verhoudingen relevant is. Van Holsteyn zegt: „We peilen percentages, en die gaan we dan omzetten in zetels. Dan is plus 1 procent in een peiling snel één zetel. Het lijkt alsof er iets aan de hand is, maar het doet er in feite niet toe.”

Peilingen worden bovendien te vaak gebruikt om „een narratief te ondersteunen”, meent Tom van de Meer. Dat gebeurde in de VS, maar ook in Nederland: „Je zag het bij de verkiezingen van 2012. De SP stond op 38 zetels in de peilingen en verloor er in de laatste week van augustus acht. Het verhaal bleef niet ‘SP nog steeds op groei’, maar ‘neergang SP’. Partijleider Roemer bood er zelfs excuses voor aan.” Dat had weer effect: de partij bleef uiteindelijk steken op hetzelfde zeteltal (15) als voor de verkiezingen.

Opiniepeilers zijn de eersten om te erkennen dat zij géén voorspellingen doen. „Wij zetten die marges in onze persberichten, veel vaker dan vroeger. Of dat het too close to call is”, vertelt Peter Kanne van I&O Research. „Journalisten zijn best wel slordig, of lui, of ze snappen het niet. Of ze denken: ik heb nu iets leuks te pakken.”

De Hond zegt iets anders. Hij komt bewust altijd op zondag met zijn peiling „omdat er toch geen nieuws is”. Hij weet dat sommige media die één op één overnemen. En waarom niet, zegt hij: „Elke wind in Den Haag wordt becommentarieerd, maar als onder Nederlanders een verschuiving in hun mening plaatsvindt kennelijk niet.”

Peilingwijzer: gewogen gemiddelde van peilingen, inclusief foutmarge:

Graphic NRC

Graphic NRC

Versplinterend electoraat

Het peilen zelf is in de afgelopen decennia moeilijker geworden. Want de Nederlandse stemmer is een kiezer geworden. „Vroeger, als ik wist dat iemand katholiek was, kon ik je vertellen dat hij KRO luisterde, welke krant hij las, welke partij hij stemde”, zegt Maurice de Hond van Peil.nl. „Daar zat een heel homogene groep. Je wist ook: hij is tegen abortus, tegen scheiden. Nu kunnen twee mensen die op dezelfde partij stemmen wel op vijftien punten anders denken.”

Dat veranderde in de jaren zestig door de ontzuiling, maar het grote keerpunt waren de verkiezingen van 1994. Toen koos ook de aanhang van de twee grote volkspartijen – CDA en PvdA – voor het eerst voor een andere partij, of bleef thuis. Op zijn hoogst 30 procent is nu trouw aan één partij, de meesten kiezen op een laat moment tussen twee of drie min of meer gelijkgestemde partijen.

Daarbij komt dat het steeds moeilijker is representatieve opiniepanels samen te stellen. Het aantal mensen dat aan onderzoek wil meedoen, wordt steeds kleiner. Terwijl de duizend tot drieduizend mensen die worden ondervraagd, wel iets moeten kunnen zeggen over álle kiesgerechtigden. Alle opiniepeilers herwegen daarom hun resultaten om te zorgen dat de verhouding van bijvoorbeeld vrouwen, plattelandsbewoners en jongeren evenredig is aan de percentages in het land.

Maurice de Hond weet bijvoorbeeld dat er in zijn panel weinig Nederlanders met een migratieachtergrond zitten, net zoals overigens bij andere opiniepeilers. En juist met de opkomst van een partij die zich op hen richt – Denk – is het relevant te weten hoe zij denken te gaan stemmen.

„Strikt genomen staat Denk op nul”, legt De Hond uit. Zo redeneren de meeste opiniepeilers. De Hond niet: „In de eerste plaats weet ik dat er 350.000 kiezers van Turkse herkomst zijn, in de tweede plaats dat er bij de vorige verkiezingen 80.000 voorkeursstemmen op kandidaten met een Turkse herkomst werden gegeven, en ten derde dat bij het Eurovisiesongfestival, toen er geen vakjury was maar via televoting werd gestemd Nederland vijf jaar 12 punten aan Turkije gaf. Dat is toch een aanwijzing.”

„Vervolgens ben ik vragen gaan stellen aan een groep niet-westerse allochtonen, weliswaar te klein. Een derde tot de helft van Turkse afkomst riep: ‘Denk’ – terwijl onder diegenen uit Curaçao of Suriname bijna niemand dat deed. Islamieten van niet-Turkse afkomst, Somaliërs bijvoorbeeld, wél weer.”

„Als ik dan het sommetje maak, is 120.000 stemmen twee zetels. Door in te zoomen op die groep, maak ik een gefundeerde schatting. Doe ik dat niet, dan krijgt een andere partij twee zetels te veel.”

Hij noemt het „met intelligentie naar je materiaal kijken”. Politicoloog Joop van Holsteyn spreekt van „nattevingerwerk”. „Mag hoor, maar het is niet wetenschappelijk verantwoord. Het is een voorspelling op basis van allerlei informatie, waaronder van peilingen.”

Tekst gaat verder onder de krantenpagina’s:

Opkomst blijft grote onbekende

Waar ook alle peilers last van hebben, is opkomst. Niet iedereen die meedoet aan een opiniepeiling, gaat ook daadwerkelijk stemmen. Van Holsteyn: „Dit soort peilingen boort een publiek aan dat toch al interesse heeft in politiek. Mensen die politiek helemaal niets vinden, doen niet mee en krijg je dus niet goed in beeld. Het maakt bijna niet uit wie de peiling doet, maar er zit een overschatting van het aantal mensen dat opkomt. Dat is steevast te hoog.”

Peter Kanne van I&O Research vindt dat Van Holsteyn daar een mogelijke zwakte van online panelonderzoek aanroert. Hij vraagt zijn panel er expliciet naar. „De mensen die niet van plan zijn te stemmen, tellen we niet mee in de zetelpeilingen. Daar zit de moeilijkheid, want als die niet-stemmers ineens opkomen, gebeurt er iets onvoorspelbaars. Die mensen zijn politiek cynisch en teleurgesteld door de middenpartijen. Dan komt er een Jan Roos met z’n gekke petje en dan denken ze: dat is misschien wel leuk.”

In zijn Peilingwijzer houdt Tom Louwerse rekening met alle mitsen en maren. De raarste uitschieters worden gecorrigeerd doordat hij een gemiddelde trekt van vijf peilingen, en hij de peilingen ook nog weegt. Kanne noemt de Peilingwijzer „een aanwinst voor ons vak”. „We hebben allemaal onze zwaktes. Je bent allemaal een beetje onzeker over hoe goed je het hebt.”

Louwerse houdt rekening met de foutmarge – dat peilers willekeurig hoger of lager kunnen zitten omdat het een steekproef is – en met de structurele verschillen tussen opiniepeilers, het zogenoemde ‘huiseffect’. „Sommige partijen zitten structureel hoger bij sommige peilers. Dat komt door de opzet – hoe worden ondervraagden geselecteerd – en door de samenstelling van het panel. Melden de deelnemers zichzelf aan, zoals bij Maurice de Hond, of worden ze geworven, en hoe dan precies.”

Nadeel is dat de Peilingwijzer wel de neiging heeft conservatief te zijn: pas na verloop van tijd zie je verschil. Louwerse: „Stel je hebt vier peilingen voor een debat en één recente met verschuivingen, dan heeft die vijfde minder invloed op het gemiddelde.”

Inhoudelijke peilingen

Moeten peilingen met al die mitsen en maren dan maar helemaal worden genegeerd? Nee, vinden de kiezersonderzoekers en natuurlijk ook Kanne en De Hond. „Dit zijn geschenken aan de samenleving”, zegt Peter Kanne. „We geven inzichten, we vertellen hoe de democratie in elkaar zit. Wij laten zien hoe de zwijgende meerderheid denkt.”

Kanne doelt dan vooral op inhoudelijke peilingen. „We hebben bijvoorbeeld onderzoek gedaan naar meer asfalt versus meer kilometerheffing, en dan blijkt dat mensen kiezen voor dat laatste. We zagen ook dat meer mensen dan zes jaar geleden vinden dat we ons internationaal moeten roeren. Mensen vinden dat we ons niet meer kunnen terugtrekken achter de dijken. Wij moeten gewoon laten zien waar de voorkeuren van de kiezers liggen.”

De Hond zegt hetzelfde: „Politici en commentatoren denken te weten wat de burger vindt. Ik dacht: laat ik het dan zichtbaar maken.”

Want hij vindt dat het Nederlandse stelsel „weinig met democratie” te maken heeft. „Na het sluiten van de stembussen, zodra de uitslag bekend is, kunnen politici letterlijk alles doen. Het is een negentiende-eeuws systeem: je geeft een mandaat aan een vertegenwoordiger, die daar zonder beperkingen tot de volgende verkiezing mee mag doen wat hij wil. Als kiezer heb je vier jaar lang niets te vertellen.”

De Hond zegt: „Als we het over democratie hebben, laten we dan duidelijk maken wat de kiezer vindt.” En dat doen zijn peilingen.

Kanne probeert zijn peilingen altijd te laten gaan over inhoud. „Maar ik weet ook dat journalisten dol zijn op ranglijstjes en verschuivingen. Als ik kan laten zien dat de PvdA definitief terug is, dan weet ik zeker dat het voorpaginanieuws is. Maar daar laat ik me absoluut niet door sturen!”