Hoe speel je een onhoorbare explosie

Interview Marguerite Duras laat in haar toneelstuk La Musica 2 twee ex-geliefden elkaar een laatste keer ontmoeten. Maar hoe speel je dit plotloze script, met ‘een wirwar’ van gevoelens?

De relatie is voorbij, maar de liefde niet. Simpel uitgangspunt, oneindig gecompliceerde situatie. De Franse schrijfster, regisseur en scenarist Marguerite Duras (1914-1996) laat in het toneelstuk La Musica 2 (1985) twee ex-geliefden elkaar een laatste keer ontmoeten in een hotellounge.

Er worden beleefdheden uitgewisseld en praktische zaken omtrent meubels geregeld. Soms blikken de twee even terug op hun tijd samen, op de hel die hun relatie de laatste maanden werd. Maar La Musica 2 is een stuk dat vooral bestaat uit wat er níét gezegd wordt. Er zijn zinnetjes, zeker: summier, haperend, vaak onaf. Maar daaronder, als een palimpsest, gaat het echte verhaal schuil. Een verhaal van pijn, verlangen, aantrekkingskracht, peilloze eenzaamheid, woede en geweld. De twee acteurs die La Musica 2 vertolken, spelen vooral dát verhaal: een complexe, woordloze compositie van gevoelens.

Lees de recensie van ‘La Musica 2’: Liefdesdrama is nu niet geserreerd, maar barok en soms ruig

Pauzes, stiltes en subtekst

Naast de zinnen die ze daadwerkelijk uitspreken, bestaat het stuk grotendeels uit pauzes, stiltes en subtekst: in de vorm van uitgebreide regieaanwijzingen schrijft Duras de intentie voor bij elke blik, elke stilte, en elke handeling. Dat gaat zo: ‘Heel kleine glimlachjes. Eerste blikken, enorme gêne. Maar de nieuwsgierigheid wint het van de gêne. Stilte.’

En later: ‘Stilte. Onhoorbare explosie.’

Het is het meest abstracte stuk dat ze ooit gespeeld heeft, zegt Ariane Schluter (50), die bij Theater Utrecht nu de vrouwelijke hoofdrol speelt. De actrice, lang leading lady van het Nationale Toneel, bekend van haar hoofdrol in de film Lucia de B. en onlangs te zien in tv-serie La Famiglia, viel toen ze het las ogenblikkelijk voor de poëzie en de weemoed van het stuk. „Duras heeft als het ware een roman onder de tekst willen schrijven.” Maar toen zij en tegenspeler Peter Blok (Cloaca, Volgens Robert, en op toneel o.m. Een soort Hades), het stuk gingen repeteren, bleken veel van die aanwijzingen onmogelijk om te spelen.

Blok: „Prachtig om te lezen, maar voor ons ook verwarrend: ze kleuren je gevoel in, maar je weet niet wat je moet gaan dóén.” Vaak ook zijn de aanwijzingen van Duras tegenstrijdig, zegt Blok. „‘Ze kijken elkaar langer aan dan mogelijk is’, hoe speel je dat? Of: ‘Hij schreeuwt heel stil’?” Schluter: „We hebben er in onze scripts ook gewoon een aantal weggestreept.”

Muziek als houvast

Wat het spelen daarnaast nog bemoeilijkt: La Musica 2 is een stuk zonder plot. Er gebeurt niets; behalve die ontmoeting in het hotel, en uiteindelijk het afscheid. Het voldoet aan geen enkele toneelschrijfwet, volgens Blok. „Het is geen verhaal, maar veeleer een toestand, van die twee mensen in die lounge. Zij bewegen al pratend en voelend door heden en verleden, zoeken de emotionaliteit en intimiteit op, en bewegen daar weer vanaf. Om dat te spelen moet je als het ware een heel andere, innerlijke dramaturgie volgen.” „Het is bijna een muzikale compositie”, zegt Schluter.

Die gedachte voert regisseur Thibaud Delpeut verder door, door (voor de tweede keer) nauw samen te werken met het Utrechtse Rosa Ensemble. De muziek van componist Wilbert Bulsink is als het ware een derde speler in het stuk, de vier musici verklanken de binnenwereld van de personages; hun ‘wirwar van gevoelens’, zoals Duras het omschrijft.

Spelers en musici repeteren van begin af aan samen; de compositie geeft de acteurs de houvast die de tekst niet biedt. Schluter: „Het is soms best wel vaag, wat er in het stuk gebeurt. Maar dit regieconcept maakt het heel speelbaar. Samen met de musici repeteren we nu heel technisch: op welke noot kom ik op, hoeveel seconden zitten er tussen de stilte die ik laat vallen en het moment dat de muziek invalt? In dit stadium gaat het bijna uitsluitend nog om ritme, timing en dynamiek.”

De liefde moet om zeep

Tijdens de repetitie vergelijkt Delpeut het krachtenspel tussen de twee personages met een tafelkleed: soms is het strak en spiegelglad gestreken, dan verfrommelt het weer. Schluter legt de aanwijzing zo uit: „Als het kleed glad is, heb ik alles onder controle, dan kunnen we best even praten, prima, maar niet meer. Soms verfrommelt het: dan wordt er in haar iets getriggerd, en belandt ze, verdomme, weer in dat oude patroon.”

Blok vult aan: „Een glad kleed betekent een helder spanningsveld, een overzichtelijke afstand tussen jou en mij. Met het verfrommelen komen we naar elkaar toe, maar dan spelen ook de emoties weer op, en wordt het rommelig en troebel tussen ons.”

Die ogenschijnlijk technische aanpak lijkt tegenstrijdig met de emotioneel explosieve inhoud van het stuk. Maar, zegt Blok, daar hebben ze het bij de start van dit proces „uitentreuren” over gehad. „Wat voelt hij, wat voelt zij? Hoe hebben ze de relatie en het einde ervan ervaren? Hoe is het ze sindsdien vergaan? Zo hebben we onder de tekst een reservoir aan gevoelens, denkwerelden en sferen aangelegd.”

Wanneer ze de motieven van hun personages verwoorden, schakelen ze gedurende hun verhaal over van ‘hij’ of ‘zij’ op ‘ik’.

Schluter: „Ik bevind me in een andere fase dan hij, omdat ik een nieuwe man heb ontmoet met wie ik echt verder wil. De liefde voor hem is misschien minder groots en allesomvattend, maar de relatie is beter. Die maakt mij echt gelukkig.” En Blok: „Dat is iets waar hij zich nog niet bij neer kan leggen. Hij denkt dat hij de liefde die hij nog voor haar voelt om zeep moet helpen. Maar ik moet simpelweg aanvaarden dat de relatie niet lukte, ondanks die enorme liefde.”

Hoever gaat hun identificatie met de personages?

Schluter: „We kregen zelfs een keer ruzie vanuit hun beleving. Blijkbaar heb ik me haar manier van denken en redeneren zeer eigen gemaakt.” Dat kan ook haast niet anders, denkt Blok. Omdat er geen anekdote is, en de scènes uitsluitend bestaan uit emoties, moet je je daar steeds volledig in inleven. Schluter: „We repeteren elke dag alsof we die avond première hebben: hup, weer vól erin.”

De twee acteerkanonnen speelden één keer eerder samen, in Medea bij het Nationale Toneel (2008): hij was toen Jason, zij Medea – ook een niet al te gelukkig liefdespaar. De samenwerking bevalt (Blok: „Dat weet je na drie dagen”): er is vertrouwen, en een klik. „Terwijl onze voelsprieten totaal anders zijn”, zegt hij. Blok benadert zijn personage volgens eigen zeggen rationeler. „Ik probeer op basis van de tekst eerst het hele plaatje voor me te zien: zo zit hij in elkaar. Dat is een kracht en een valkuil, want mensen zijn nou eenmaal niet logisch, zeker niet als ze onder druk staan. Maar als ik eenmaal het overzicht heb, kan ik hem daarna inconsequent maken.” Schluter: „Ik bouw mijn personage denk ik intuïtiever op; al spelend en ontdekkend.”

Eigen ervaring is niet voldoende

Een tekst als La Musica 2, over zoiets herkenbaars als liefde, scheiding en afscheid, roept algauw de vraag op in hoeverre eigen ervaringen invloed hebben op hun spel. Zeker bij Blok, wiens scheiding drie jaar geleden van scenarioschrijfster Maria Goos (en nieuwe relatie met tegenspeelster Tjitske Reidinga) in de pers breed werd uitgemeten.

Maar beide spelers antwoorden resoluut: zo werkt het niet. Natuurlijk praat je in de eerste fase óók over je eigen ervaringen op dat vlak. Blok: „En iederéén heeft daar in het leven wel zijn portie van gekregen. Maar je kan niet aan de hand van je eigen ervaringen je personage vormgeven, althans niet op de één-op-één, anekdotische manier.”

Zij: „Dan maak je het te smal.”

Hij: „Je loopt spaak. Misschien dat het je in de ene scène helpt, maar in de volgende moet je dan alweer concluderen: nee, hij is toch niet zoals ik. Hoogstens zoek je naar een passend gevoel, dat ergens in je lichaam ligt opgeslagen, en dat je aanboort. Dat gaat bij het spelen meevibreren. Maar dat deed ik voor mijn scheiding precies zo.”

De essentie van spelen is toch de verbeelding, legt Schluter uit. „Vergelijk het met kinderspel. Een kind leeft zich in, maakt in die fantasie iets mee, en kan daar oprecht geroerd of ontregeld door raken, terwijl hij het niet écht heeft ervaren.” Bovendien, vult Blok aan: „Uiteindelijk zijn het de gevoelens van de toeschouwer zélf die de lading en impact van de voorstelling bepalen. Wij wekken die op en wakkeren ze aan.”