Column

Castro en Mulisch

We kennen allemaal de positieve grondhouding van Harry Mulisch tegenover Fidel Castro en de Cubaanse revolutie, maar zijn publicaties erover zullen nog maar weinig gelezen worden. Het gaat om de titels Het woord bij de daad en Over de affaire Padilla.

Ik heb ze na het nieuws over de dood van Castro nog eens doorgenomen, en hoewel ik wist wat me ongeveer te wachten stond, toch weer met grote verbazing. Mulisch toont een bijna blinde verering voor Castro. Het woord bij de daad uit 1968 is vooral een reisverslag en een persoonlijke getuigenis van de revolutie. Aan het einde laat Mulisch weten dat hij solidair met Cuba zou blijven, „zelfs wanneer het door de druk van buitenaf inwendig mis mocht gaan en de samenleving zou veranderen in een politiestaat’’.

Mulisch heeft woord gehouden: hij heeft nooit ingestemd met de kritiek op Castro. Was het tegen beter weten in? Op den duur misschien wel, maar ten tijde van zijn verblijf op Cuba lijkt hij toch vooral gedreven door een kinderlijk geloof in de wonderen van de revolutie. „Op Cuba heerst de leugen en de huichelachtigheid niet’’, schrijft hij. (….) „Maar het blijft een revolutionair land: contrarevolutionaire agitatie is verboden, evenals uitbuiting, analfabetisme en sterven van de honger.’’

Hier zie je Mulisch al meebewegen met het dictatoriale regime: kritiek daarop is ‘contrarevolutionaire agitatie’. Illustratief is Mulisch’ houding tegen ,,de hoge Nederlandse televisiefunctionaris X’’. Die vroeg Mulisch op Cuba om hulp bij het verkrijgen van een interview met Castro. „Maar al de volgende dag”, schrijft Mulisch afkeurend, „zag ik hem schichtig fluisteren met wat kennelijk contrarevolutionairen waren.” Toen „een kameraad uit de omgeving van Fidel” aan Mulisch vroeg of zo’n interview wel verstandig was, antwoordde deze: „Als ik Fidel was, zou ik het niet doen.” Vaarwel interview.

In 1971 werd de dissidente dichter Heberto Padilla op Cuba gearresteerd en tijdens de verhoren zwaar mishandeld. Een aantal kunstenaars (o.a Enzensberger, Calvino, Duras, Semprun en Sartre) protesteerde, Mulisch en García Márquez deden niet mee. Niemand van hen kon weten hoe slecht Padilla behandeld werd, maar Mulisch leek het ook niet relevant te vinden. „Wiens eigen integriteit nog zijn grootste zorg is in de wereld, die moet zich niet met revoluties bemoeien”, schreef hij. En: „Als ik een goede vriend heb, en die goede vriend haalt onverwacht een misselijke streek uit, dan ga ik mij niet even later in het openbaar van die streek distantiëren.”

Padilla zei er in 1990 in deze krant over: „Uw Harry Mulisch? Pffff! Die was maar heel eventjes bruikbaar bij het maken van propaganda voor de revolutie. (….) Zo’n Mulisch is natuurlijk een oneindig naïeve man.”

Enkele jaren voor zijn dood sprak Mulisch zijn sympathie uit voor de PVV. Dat lijkt moeilijk te rijmen met zijn lof voor de Cubaanse revolutie, maar in Het woord bij de daad trof ik tal van passages aan die deze voorkeur aankondigen. De parlementen in de kapitalistische landen waren in verval, vond Mulisch, en de materiële, directe democratie op Cuba legde meer verbinding tussen volk en regering. Nu Castro dood is, kunnen we nog heel wat onthullende verhalen over de zegeningen van die directe democratie verwachten.