Bevrijd door een beer

Alaska Maarten Jurgens had een doel. In Alaska een eland, een kariboe en een beer schieten. Die beer veranderde zijn leven.

Maarten Jurgens ruikt aan berenpoep. Foto Jaap de Ruig

Kuilen in de zandweg. Heel af en toe een tegenligger, in Alaska rijden de vreemdste voertuigen. Vaak is het een bemodderde quad, een vehikel waar je in de wildernis niet zonder kunt, zeker niet in de winter. Eenmaal zag ik er een waarop kruislings vier geweren stonden.

„Stop! Daar ligt iets!” De oudste in ons gezelschap, Maarten Jurgens van 72, springt uit de auto en gaat op zijn knieën liggen om de pasteuze massa met aandacht te bekijken. Ja hoor, er zit hier een beer en dit is zijn poep. Een beer kan in het naseizoen wel tweehonderdduizend rode bessen per dag eten, hij rist ze met zijn klauwen van de struik. Deze heeft ook rozenbottels verorberd.

„Ik bedank de beer regelmatig dat hij zijn leven heeft gegeven om mij te bevrijden”

Ik pak een smeuïg, met pitten bespikkeld stukje. Het ruikt vers, fris, aantrekkelijk, alsof je het zo in je mond kunt stoppen. Maarten heeft me al heel wat over beren geleerd, evenals over de andere dieren die we onderweg zijn tegengekomen, zoals kariboes en elanden. Een beer leeft altijd alleen, behalve als een vrouwtje jongen heeft. Die blijven bij haar tot ze een jaar of drie zijn. Mannelijke beren proberen soms de jongen te doden, zodat het vrouwtje eerder tot hun beschikking komt voor een paring. Bruine beren kunnen in het kustgebied van Alaska wel achthonderd kilo worden. Als deze beer, die van de verse bessenpoep, onverhoopt tevoorschijn komt, moeten we ons schouder aan schouder breed maken, opdat hij ons voor een machtige tegenstander zal houden. „Beren ervaren mensen niet als prooi, maar mocht een bruine beer je toch aanvallen”, heeft Maarten me geïnstrueerd, „ga dan in foetushouding doodliggen en laat hem maar een beetje aan je knabbelen. Bij een zwarte moet je terugvechten.”

Foto Jaap de Ruig

Foto Jaap de Ruig

Een man draagt schutkleuren

We rijden verder. Alaska, dat in 1867 van Rusland werd gekocht en pas in 1959 officieel de 49ste Amerikaanse staat is geworden, telt maar zo’n 740.000 inwoners, van wie een aantal uit andere staten is gekomen om te pionieren. Dat is ze aan te zien, aan stoerheid geen gebrek. Een man trekt hier schutkleuren aan, zet een gerafelde pet op zijn kop en laat zijn baard groeien – bemoei je er niet mee of ik pak mijn wapen.

Het landschap is overweldigend. Sommige bergen hebben een rulle groene vacht, andere zijn kaler, ruiger, met roestrode, warm-oranje en diepgele begroeiing die lijkt te vlammen. Het zijn dwergvarianten van struiken en bomen, alleen al van de wilg bestaan hier zo’n zestig miniatuursoorten. Dat heeft met de permafrost te maken, de altijd bevroren onderlaag. De boom die er het beste op gedijt, is een armetierig sparretje dat voldoende heeft aan dertig centimeter aarde. Hij zakt snel scheef en wordt dan een tipsy tree. Dat komt ook door de klimaatverandering, de permafrost begint te smelten. Gletsjers kalven af met vijf meter per jaar, de boomgrens schuift omhoog. Toch kan het in Fairbanks, de noordelijkste stad, nog steeds 40 graden vriezen.

Een besneeuwde berg licht helwit op. In de berm uitgebloeide wilgenroosjes, ‘vuurkruid’ in het Amerikaans, de stengels donkerrood. Aan een meer staat één blokhut met een watervliegtuig aan een steiger ervoor. Ik snap wel dat Maarten keer op keer naar Alaska wordt getrokken. Natuur is hier natuur, alleen al het aantal meren bedraagt drie miljoen. Het meest opvallende door mensen gemaakte geluid is het stofzuigerachtige gebrom van de vele privévliegtuigjes, maar dat is altijd zo weer over. Snelwegen zijn er nauwelijks, we kunnen kiezen uit een paar lijnen asfalt, Maarten kent de weg uit zijn hoofd.

Zijn eerste windbuks

Foto Jaap de Ruig

Een opgezette bruine beer. Foto Jaap de Ruig

We stoppen opnieuw, voor een gesneuvelde roofvogel. Aan de manier waarop Maarten de vleugels spreidt is te zien hoe vertrouwd zoiets voor hem is. Op zijn twaalfde, toen hij opgroeide in Wassenaar, kreeg hij zijn eerste windbuks. Hij was het achtste kind in een katholiek gezin. Zijn vader werkte voor Unilever, het bedrijf dat mede door de familie was opgericht. Vanwege zijn astmatische bronchitis verbleef hij veel op Nederrijk, het familielandgoed bij Nijmegen, waar hij dan woonde bij ‘vader’ en ‘moeder’, de jachtopziener en zijn vrouw. Op een dag was hij wat aan het knallen met zijn windbuks terwijl de jachtopziener verderop aan het werk was. Tijdens de middagboterham haalde de twaalfjarige Maarten zangvogeltjes uit zijn zakken en legde ze neer in een tableau, zoals hij de volwassenen had zien doen met hun wild. Zangvogeltjes? Pats, een draai om de oren, hij had een fikse levensles te pakken.

Rechten studeren, trouwen, paardrijden, meedoen aan de military op EK’s en WK’s, ten val komen op de Olympische Spelen. Hoofdredacteur van een paardentijdschrift worden. En dan, in 1992, voor het eerst naar Alaska gaan, met als doel er zowel een eland, een kariboe als een beer te schieten. Maar ondanks zijn gids, een ervaren Vietnam-veteraan, doodde Maarten Jurgens dat jaar alleen een eland, waarvan hij eerst het vlees, en daarna de kop met het grote gewei van de kill site wegdroeg. Toen hij zijn vrouw thuis in Nijmegen belde, klonk hij sip: „De beer is mislukt.” Na een paar dagen belde hij nog eens: „Goed nieuws, volgend jaar ga ik weer.”

Maar in 1993 lukte het evenmin, pas in 1996 slaagde hij erin een bruine beer in de ogen te kijken en te doden. De vacht liet hij in Anchorage prepareren en naar Nijmegen sturen, om hem daar met kop en al over zijn bureau te leggen. Vanaf dat moment keek de beer hem dagelijks aan, inmiddels met kunstogen.

En toen raakte er iets aan het schuiven. Er volgde een periode van overspannenheid, van bezoeken aan een sjamaan, van cursussen op een School voor Leven en Intuïtie. Nadat Maarten op het jachtterrein van de familie een heel seizoen een bepaalde reebok achterna had gezeten, die hij zelfs een naam gaf, en die maar levend bleef rondlopen, realiseerde hij zich dat hij voortdurend smoezen had verzonnen om niet te hoeven schieten. Uiteindelijk kwam het inzicht: hij wilde helemaal niet meer jagen. Met de beer had hij ook de jager in zichzelf gedood. Onmiddellijk verkocht hij zijn collectie geweren.

Foto Jaap de Ruig

Foto Jaap de Ruig

„Maar toen had je geen reden meer om naar Alaska te gaan”, zeg ik op weg naar de taxidermist die de berenvacht prepareerde.

„De beer ligt nog steeds over mijn bureau, ik bedank hem regelmatig dat hij zijn leven heeft gegeven om mij te bevrijden. Maar mijn liefde voor Alaska is niet afhankelijk van de jacht. Drie keer heb ik in mijn eentje in de wildernis gezeten om na te denken en te observeren, eenmaal zes weken lang. Tegenwoordig bezoek ik vooral vrienden.”

De taxidermist, wiens bedrijf aan een natuurhistorisch museum doet denken, is ook een goede vriend geworden. Hij heeft twintig werknemers; de trofeeënjacht is big business in Alaska. Nadat hij ons door verschillende werkplaatsen heeft geleid, duwt hij mij een inloopkast in, waar ik tussen de bontvellen terechtkom die als kleren naar beneden hangen. Daarna, in een apart atelier, volgt het project waaraan hij zelf werkt: een donkerbruine beer met geplakte naden, die zo hoog boven ons uittorent dat degene die het dier afschoot, hem straks niet eens in de ogen zal kunnen kijken.

Tot slot gaan we naar een ruimte waar het weliswaar stinkt, maar waar tenminste niet wordt geprobeerd een illusie in stand te houden: vijf mannen ontdoen huiden van verse vleesresten.

Intussen wacht in Nijmegen een beer op de jager die geen jager meer is. Maarten Jurgens heeft zich tegen zijn zestigste laten omscholen tot asieladvocaat. Na zijn pensionering is hij vrijwilligerswerk gaan doen in een hospice, daarnaast is hij is buddy geworden voor enkele psychiatrisch patiënten. Sinds kort geeft hij les in zenmeditatie.