Opinie

We kunnen niet langer cynisch zijn over de politiek

Opinie kreeg een lager schooladvies dan zijn citotoets uitwees, werd historicus en is nu kandidaat-Kamerlid voor GroenLinks. „Dat de zoon van een immigrant kandidaat-Kamerlid kan zijn, illustreert de grootsheid van Nederland.”

‘Meneer Özdil, natuurlijk hoort uw zoon op papier vwo-advies te krijgen, maar hij is een allochtoon; hij zal het moeilijk krijgen om zich aan te passen. Laten we rustig beginnen met havo en dan kijken we wel hoe het gaat.”

Het is 1993 en ik zit met mijn ouders bij het schooladvies-gesprek op een basisschool in Rotterdam-Zuid. Zoals zo vaak moet ik mee om te vertalen, waar ik nooit zin in heb. De hoofddocent meent het oprecht goed met mij, vandaar dat hij vindt dat ik met havo moet beginnen. Maar mijn vader neemt daar geen genoegen mee. Hij gaat de discussie aan, zegt dat hij niet naar huis gaat voor ik vwo-advies krijg.

Ik schaam me. Zeg in het Turks tegen hem: „Pap, niet moeilijk doen, accepteer gewoon wat hij zegt en laten we gaan.” Gelukkig houdt mijn vader koers. Achteraf ben ik hem enorm dankbaar.

Nederland was in die jaren een land met heel veel kansen. Bijna nergens had je zoveel mogelijkheden om vooruit te komen. Tegelijkertijd is het essentieel dat mensen je op die kansen wijzen, je een perspectief bieden en voor je opkomen wanneer die kansen voor je voeten worden weg gemaaid.

Sinds ik in groep 8 zat, hebben we de paarse kabinetten, de kabinetten-Balkenende en twee kabinetten-Rutte gehad. De mogelijkheden om vooruit te komen zijn inmiddels minder dan ooit. Het laatste rapport van de Onderwijsinspectie, ‘De Staat van het Onderwijs’, concludeert bijvoorbeeld dat kinderen met dezelfde talenten minder vaak dezelfde kansen in Nederland krijgen. Steeds vaker krijgen kinderen uit arme, laagopgeleide gezinnen een lager advies dan kinderen uit hoger opgeleide gezinnen – op basis van dezelfde cito-uitslag.

Nederland wordt een land waar je afkomst en je portemonnee bepalen hoe ver je komt, in plaats van wat je kan.

Zo zijn we tegenwoordig ‘zorgconsumenten’ als we ziek zijn. Maar kun je zorg wel ‘consumeren’ als product in een vrije markt? Het is niet moeilijk om vijf biertjes uit te proberen in verschillende cafés en dan een rationele keuze te maken over welk café het lekkerste biertje voor de beste prijs levert. Maar ga eens vijf appendix-operaties uitproberen om dan te beslissen welk ziekenhuis voor de beste prijs het beste ‘product’ levert.

Net als in de zorg is ook in ons onderwijssysteem marktfetisjisme doorgeschoten. Studenten zijn letterlijk rendementen geworden en we laten onze kinderen al vanaf groep 1 cito-toetsen maken, in plaats van te investeren in hun creativiteit en nieuwsgierigheid.

Na de crisis hebben we met de botte bijl bezuinigd op sociale structuren. Op korte termijn bespaar je zo geld, maar op lange termijn stijgen de kosten. Ik ben nog van de generatie die in een waterland als Nederland tenminste zwemdiploma A kreeg, of je nu arm of rijk was. Maar sinds 2012 zijn, door de decentralisaties van Rutte, steeds meer gemeenten genoodzaakt te bezuinigen op schoolzwemmen. Dat sindsdien meer kinderen uit arme gezinnen ‘met een migratieachtergrond’ verdrinken, zoals het Centraal Bureau voor de Statistiek constateert, mag geen verrassing zijn.

Dankzij mijn vaders standvastigheid deed ik het Erasmiaans Gymnasium in Rotterdam en ging ik uiteindelijk geschiedenis studeren. In die tijd was de totale ‘vermarkting’ van Nederland de norm geworden. Zette je daar vraagtekens bij, dan was je ‘radicaal’. Zelfs de progressieve politiek leek er in mee te gaan. De veren werden overal afgeschud. Jaar in jaar uit kwamen voor mij de ‘teleurstellingen’. Partijen die ik een warm hart toedroeg, ‘bonden’ in mijn ogen in door akkoorden te sluiten of kabinetten te vormen. Achteraf weet ik dat jeugdig idealisme soms tunnelvisie en starheid kan veroorzaken, want zonder akkoorden sluiten bereik je in een meerpartijendemocratie niet veel.

Mijn politiek cynisme vertaalde zich echter nooit in een defaitistische houding. Het sterkte mij juist om door te knokken via andere kanalen, zoals het maatschappelijke debat. Achteraf besef ik me dat ik die houding ook aan mijn vader te danken heb. Toen in de jaren negentig de schotelantennes opkwamen, waren wij het enige Turks-Nederlandse gezin in Rotterdam-Zuid dat weigerde er een aan te schaffen. Toen ik erover klaagde zei mijn vader: „Als je nieuws, actualiteit of cultuur wilt volgen, ga je maar Nederlandse tv kijken. In dit land ligt je toekomst, niet in Turkije.”

Velen met dezelfde achtergrond krijgen een andere boodschap mee. Het doet me pijn om nog altijd jonge, hier geboren en getogen Nederlanders te spreken die, geconfronteerd met uitsluiting, juist die uitsluiting bevestigen door te roepen: „Nederland is niet mijn land en Erdogan is mijn leider!”

Frustratie over het feit dat je niet op sollicitatiegesprek mag komen vanwege je achternaam is terecht, maar de oplossing is niet Nederland de rug toekeren. Almaar stijgende eigen risico’s en bijdrages maken je terecht boos, maar je lost het niet op door kwaad te worden op je buurvrouw Fatima. Nederland is ook mijn land. Hier ligt mijn toekomst. Dus wil ik meepraten en meebouwen aan het Nederland van morgen.

Daarom ben ik nu kandidaat voor GroenLinks. Dat was geen vanzelfsprekendheid. Enkele jaren geleden herkende ik me niet in de koers die de partij had ingezet. Progressieve partijen omarmden blind de marktliefde – zelfs als die liefde de zorg en het onderwijs deed verstikken.

Jesse Klaver heeft het progressieve verhaal in Nederland weer op de agenda gezet. Zowel hoogleraren als bouwvakkers begrijpen de noodzaak van minder economisme en meer empathie. Links is weer links. Dat wakkerde het politieke vuur in mij weer aan. GroenLinks laat zich niet gewillig meedrijven met de woeste rechtse stroom richting afgrond; de partij gaat tegen de stroom in. Voor een gemeenschappelijke toekomst waarin klimaat en gelijke kansen centraal staan. Ik maak daar nu deel van uit en ik ben dankbaar voor het vertrouwen van de partij.

Na twee kabinetten-Rutte staan we op een belangrijk kruispunt. Ons werd een participatiesamenleving beloofd, maar het lijkt steeds meer op een ieder-voor-zich-samenleving. Ons werd bruggen bouwen beloofd, maar de kloven lijken groter dan ooit. Welke kant willen we op? Nederland is veel te mooi om op het huidige pad door te gaan. We kunnen ons niet langer veroorloven cynisch te zijn over de politiek. Tijd voor verandering is dan ook meer dan een verkiezingsslogan.

Misschien komt het door mijn almaar voortschrijdende leeftijd, ik ben 35, maar ik begrijp steeds beter dat we het samen moeten oplossen. Empathie, ook voor mensen waar je het niet mee eens bent, is cruciaal. Als de rechtse politiek alles heeft wegbezuinigd, kunnen we elkaar wel blijven haten, maar het brengt geen van ons vooruit. Ik hou te veel van Nederland om het te laten afglijden naar een land waar uiteindelijk je portemonnee en je afkomst gaan bepalen hoe ver je komt in de samenleving.

Ik ben trots dat ik in de afgelopen tien jaar als schrijver en columnist mijn steentje heb kunnen bijdragen aan het bespreekbaar maken van thema’s zoals economische ongelijkheid en wij/zij denken. Dat de kleinzoon van een arme Turkse boer, die in een huisje van gedroogd mest en cement is geboren, NRC-columnist kon worden, bewijst welk verschil kansen kunnen maken. Dat de zoon van een immigrant kandidaat-Kamerlid kan zijn, illustreert de grootsheid van Nederland. Maar het illustreert bovenal waarom gelijke kansen zo belangrijk zijn en waarom we de groeiende ongelijkheid in Nederland een halt moeten toeroepen. Dat jongetje uit 1993 gaat zich daarvoor inzetten.

Met dit stuk sluit Zihni Özdil de reeks columns af die hij voor NRC schreef. De hoofdredactie is hem erkentelijk voor zijn bijdragen.