Waarschijnlijk is het Nederlandse vaccinatieprogramma zó succesvol dat het zich nu tegen zichzelf keert

Vaccin

Het belangrijkste argument van prik-critici is dat vaccineren niet heeft bijgedragen aan de daling van de kindersterfte. Betrouwbare berekeningen leren echter dat de vaccins alleen al in Nederland duizenden levens hebben gered – en nog altijd tientallen levens redden.

De vaccins die in de armen en benen verreweg de meeste baby’s en kinderen in Nederland worden geprikt, redden ieder jaar 36 kinderen het leven. Die 36 zouden zijn overleden aan kinkhoest, difterie, polio, tetanus of mazelen als daar geen vaccins tegen zouden bestaan. Het kunnen er ook 27 zijn, of 50. Het onderzoek ernaar heeft onzekerheidsgrenzen.

Er overlijden tegenwoordig jaarlijks ongeveer 1.000 kinderen en jongvolwassenen (tot 20 jaar) in Nederland. Ook afgezet tegen die 1.000 is 36 kinderlevens een niet te verwaarlozen aantal. Het zijn er genoeg om rekening mee te houden in de weer hoogoplopende discussie over wel of niet vaccineren van baby’s tegen kinderziekten.

Het cijfer van 36 geredde kinderen in 2015 is afgeleid uit onderzoek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) dat als duidelijke bijbedoeling had om een belangrijk argument de vaccincritici te weerleggen. Vorige week waren die vaccincritici opeens weer prominent in het nieuws, nadat bekend werd dat het RIVM twee miljoen euro wil uittrekken om vaccinerende artsen te trainen in gesprekken met vaccinweigerende en -twijfelende ouders.

Er wordt nog veel meer geld uitgegeven om de argumenten van de Nederlandse Vereniging Kritisch Prikken te weerleggen. Het onderzoek van het RIVM reageert in feite alleen op de eerste zin van het eerste antwoord in een lijst ‘vaak gestelde vragen’. Die eerste vraag is ‘waarom is vaccineren belangrijk?’ en het antwoord begint met: „Lang vóór de invoering vaccinaties waren ziekten al bijna verdwenen als gevolg van betere voeding en meer hygiëne.” Vaccineren is niet belangrijk, volgens de kritische prikkers. Goed gevoede kinderen die in hygiënische omstandigheden leven, met warme ouders die grenzen stellen, eventueel gesteund door preventieve homeopathische middelen, krijgen geen vaccinziekten meer, want die waren al vrijwel verdwenen toen de vaccins kwamen.

In werkelijkheid hebben de vaccinaties in de 35 jaar na invoering ervan nog het leven van 9.000 kinderen gered. Het gaat om de vaccinaties tegen mazelen, polio, tetanus, difterie en kinkhoest die vanaf de jaren vijftig in Nederland zijn ingevoerd. Het aantal geredde kinderen (tot 20 jaar) kan 6.000 of 12.000 zijn, dat zijn de marges.

Het is epidemiologisch onderzoek van eerste auteur Maarten van Wijhe onder leiding van Jacco Wallinga, expert in mathematische modellen over de verspreiding van infectieziekten bij het RIVM in Bilthoven. Hun publicatie stond in mei in The Lancet Infectious Diseases. In de conclusie van het artikel wordt expliciet verwezen naar de discussie tussen voor- en tegenstanders van vaccinatie: „De resultaten zijn nuttig om de werkzaamheid van vaccinatie programma’s goed te laten zien, zowel aan het grote publiek als aan gezondheidsdeskundigen, en om ouders te helpen om een geïnformeerde keus te maken over het vaccineren van hun kinderen.”

Een heel jaar voor één argument

Van Wijhe en zijn collega’s hebben voor het eerst de sterfte aan afzonderlijke infectieziekten van 1903 tot 2012 verzameld en ook de vaccinatiegegevens van alle kinderen vanaf 1952. „De vroegste vaccinatiegegevens waren nog net niet weggegooid”, zegt Wallinga. In die eeuw zijn verschillende ziekteclassificaties gebruikt, het meeste moest nog worden gedigitaliseerd en worden omgewerkt naar één gegevensbestand. Maarten van Wijhe schat dat hij er een jaar fulltime aan werkte om de gegevens klaar te maken voor analyse. Zoveel tijd kost het om één van de vele argumenten van de kritische prikkers te weerleggen.

Ziekte en dood door infectieziekten namen in de eerste helft van de vorige eeuw in recordtempo af. Dat was al lang bekend: in 1950 stierven beduidend minder kinderen dan in 1905. Kijk je naar de grafiekjes, dan komen de curves van torenhoog in 1900 en ze raken tegen 1950 bijna de nullijn. Die grafiekjes laten de kritische prikkers graag zien.

Hun suggestie is: de kinderziekten waar vanaf 1953 vaccins voor werden ingevoerd waren al verdwenen, door schoon drinkwater, goede riolen, gezonde huisvesting, betere voeding. Vaccineren heeft weinig zin als de ziekteverwekkers niet alom aanwezig zijn en als mensen een goede afweer hebben.

In werkelijkheid, zagen Van Wijhe en Wallinga, waren de kinderziekten waar later vaccins tegen kwamen steeds de doodsoorzaak van 5,5 procent van de overleden kinderen. Dat was in 1905 zo en – het is cruciaal in de discussie – dat was in 1950 nog steeds zo. Pas na de invoering van de vaccinaties daalde dat aandeel van 5,5 snel naar vrijwel 0. Het aantal van 36 geredde kinderen in 2015 haalden Van Wijhe en Wallinga na een vraag van NRC Handelsblad uit hun bijgewerkte gegevens.

Het zijn mooie cijfers die Wallinga en zijn onderzoekers produceerden. Maar vorige week struikelden de communicatiedeskundigen over elkaar om te vertellen dat mensen met kritiek op vaccineren, op de medische macht, op de overheid, op de wetenschap, op de farmaceutische industrie zich nauwelijks storen aan confronterende cijfers.

Persoonlijke verhalen

Vaccincritici hebben mooie websites. Kijk eens op die van de Nederlandse Vereniging Kritisch Prikken (nvkp.nl) of www.vaccinvrij.nl. Daar combineren de Kritische Prikkers geruststelling (die ziekten waartegen wordt gevaccineerd komen bijna niet meer voor) met het zaaien van ongerustheid over bijwerkingen (er zijn meer, vooral chronische bijwerkingen dan de overheid en vaccinfabrikanten zeggen).

Ook indrukwekkend is de ruimte die de vaccintegenstanders geven voor persoonlijke verhalen. Ouders vertellen hoe hun kind ziek werd of autistische trekken kreeg in de dagen of weken na een vaccinatie. Die ouders zijn er vrijwel van overtuigd dat die prik alles in gang heeft gezet.

Voor één kind is zo’n vermeende samenhang nooit weerlegbaar. Het kan wel voor groepen kinderen. Daar zijn verschillende methoden voor. Allemaal met methodologische haken en ogen. Die methoden zijn de laatste jaren verfijnd. De Wereldgezondheidsorganisatie heeft bijvoorbeeld een 44 pagina’s tellend document Causality assessment of an adverse event following immunization (uit 2013). De methode is bedoeld om wereldwijd te kunnen worden gebruikt. Er komen ook omstandigheden ter sprake die in Nederland niet of nauwelijks te verwachten zijn.

Zoals de vaccinpaniek die in 1998 in Libanon ontstond. Op een school werden 800 leerlingen tegelijk gevaccineerd tegen tetanus en difterie. 122 werden ziek opgenomen in het ziekenhuis. Gedacht werd aan een bijwerking van het vaccin. Maar het was een massapsychose die vaker voorkomt onder groepen jonge kinderen als de angst toeslaat. Massale vaccinaties zijn zeldzaam in Nederland.

Die mix van geruststellen, paniekzaaien en persoonlijke aandacht, daar kan de Nederlandse overheid moeilijk tegenop.

Neem de bijwerkingen. Ja, ieder vaccin heeft ze. Vaccinaties bevatten fragmenten van ziekteverwekkende virussen of bacteriën. Die veroorzaken een afweerreactie die het afweersysteem een ‘geheugen’ geeft – en een vaak beslissende voorsprong als de echte ziekteverwekker ingeademd of ingeslikt wordt. Behalve bacterie- of virussstukjes kan het vaccin ook de gifstof van een bacterie bevatten, of een nog levend, maar verzwakt virus dat zelf geen ziekte meer veroorzaakt.

Hoe dan ook veroorzaakt een vaccin een afweerreactie. En actieve afweer betekent: hangerig, malaise, huilen, koorts en een rode gezwollen plek op de injectieplaats. Werking of bijwerking? In iedere bijsluiter staan ze als bijwerking vermeld.

Voordat hun kind anderhalf is krijgen ouders er vijfmaal mee te maken. Een ziek kind zorgt voor extra organisatiewerk rond oppas en crèche. Tussendoor is hun peuter ook nog vaak gewoon verkouden, hangerig en huilerig door de gewone, natuurlijke verkoudheidsvirussen.

En de voordelen? De overheid kan alleen maar benadrukken dat vaccins er echt voor zorgen dat sommige ernstige infectieziekten in Nederland nauwelijks meer voorkomen. Al 50 jaar niet meer, sinds de vaccins beschikbaar kwamen. Waarschijnlijk is het vaccinatieprogramma zó succesvol dat het zich nu tegen zichzelf keert. In Nederland hebben jonge ouders die ziekten nooit meer gezien. Terwijl die ‘vaccinziekten’ als difterie, mazelen en kinkhoest wereldwijd jaarlijks nog honderdduizenden kinderen doden die niet of slecht gevaccineerd zijn en die in slechte omstandigheden leven.

Zwartekousenband

Nederland is onder infectieziektedeskundigen wereldberoemd vanwege de zwartekousenband die van Krabbendijke tot Staphorst over het Nederlandse platteland ligt. Daar wonen relatief veel orthodox-protestanten die vaccinatie beschouwen als ongeoorloofde beïnvloeding van gods wil. Ze wonen zo dicht op elkaar dat in sommige gemeenten de vaccinatiegraad beduidend onder de veilig geachte grens van 90 tot 95 procent komt. De gemeente Staphorst haalt 80,4 procent. Krabbendijke hoort bij de gemeente Reimerswaal, waar 74,5 procent van de in 2013 geboren kinderen goed tegen DKTP is gevaccineerd. De gemeente Neder-Betuwe is recordhouder vaccinweigeraars met 55,4 procent gevaccineerde peuters. En Urk – buiten de gordel – haalt 64,4 procent. Een hele rits andere gemeenten in de biblebelt hebben vaccinatiepercentages tussen de 70 en 85 procent.

De vaccinatiegraad is daar laag genoeg, en de onderlinge contacten op speciale scholen en in kerken intensief genoeg om in ieder geval uitbraken van polio, kinkhoest, mazelen en bof te kunnen verwachten. Die zijn er dan ook geweest in het vaccintijdperk en het zijn evenveel bewijzen tegen het idee van de kritische prikkers dat die ziekten door goede voeding en hygiëne ook vanzelf wel uit Nederland zouden wegblijven.

Virologen vinden dat op het ogenblik de Nederlandse bevolking goed beschermd is, op ruim 200.000 orthodox gelovigen na die vlak bij elkaar wonen en naar dezelfde scholen en kerken gaan. Andere niet-vaccineerders wonen verspreid en genieten groepsbescherming. Groepbescherming bestaat als er rond ongevaccineerden zoveel gevaccineerden leven dat veel van de virussen en bacteriën niet meer aanwezig zijn. Voor de kinkhoestbacterie geldt dat niet, maar voor mazelen en polio bijvoorbeeld wel. Dat is waar de vaccinweigeraars momenteel van profiteren: ze hebben geen last van een hangerig en huilend kind na de zoveelste vaccinatie. En hebben dankzij alle buren die die last wel droegen hun kind toch redelijk beschermd.