Veel notarissen hielpen bij roof Joodse goederen

Heel veel notarissen werkten in de Tweede Wereldoorlog mee aan het ontnemen van rechten aan de Joodse bevolking. Dat blijkt uit promotieonderzoek.

Een jodenster in kamp Westerbork. Foto: Koen Suyk/ANP

Een groot deel van het Nederlandse notariaat heeft bewust meegewerkt aan de formalisering van de roof van Joods onroerend goed tijdens de bezetting van 1940-1945. Hun soepele medewerking heeft de notarissen financieel voordeel opgeleverd: zij kregen per verkoopakte betaald.

Dat schrijft Raymund Schütz in het boek Kille mist. Het notariaat en de erfenis van de oorlogstijd waarop hij maandag promoveert aan de Vrije Universiteit. In 2013 zei Schütz, in het dagelijks leven onderzoeker bij het oorlogsarchief van het Rode Kruis, in een interview met NRC al dat maar één van de vijftig Rotterdamse notarissen helemaal niet had meegewerkt aan de onteigening.

In februari 1941 werden Joodse notarissen en kandidaat-notarissen op last van de Duitsers uit het ambt gezet. De Broederschap der Notarissen heeft zich daar niet tegen verzet. De beroepsvereniging stelde nog wel voor om ten minste de Joodse kandidaat-notarissen hun vak te laten uitoefenen, onder toezicht van een niet-Joodse notaris. Secretaris-generaal Hooykaas van Justitie wilde er wel over denken, mits de notarissen de kosten van een en ander zelf zouden financieren. „Toen was het meteen van tafel”, zegt Schütz. Zijn promotieonderzoek is door de Stichting tot bevordering der Notariële Wetenschap gesteund met 50.000 euro subsidie, de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie doneerde 25.000 euro.

Hun financiële tegoeden moesten de Joden vanaf 1941 registreren en later overdragen aan de bank Lippmann Rosenthal. Voor hun onroerend goed was de Niederländische Grundstücksverwaltung opgericht. Via filialen in het land werden panden van Joodse eigenaren onteigend. De notarissen werkten in grote getale mee door het passeren van verkoopakten.

Schütz laat zien dat sprake is van een boom in de huizenverkoop tussen voorjaar 1942 en augustus 1943 – en dat die gelijke tred hield met de deportaties van de Joden. Naar schatting werden 10.000 Joodse panden doorverkocht. De totale waarde bedroeg zo’n 150 miljoen gulden – tegenwoordig 750 miljoen euro.

Schütz vergeleek de houding van de Nederlandse notarissen met die van de Belgische. Daar zijn de notarissen begonnen de door de Duitsers gevraagde maatregelen te traineren. „Daarna traden ze met de magistratuur in overleg. Ten slotte is vastgesteld dat notarissen niet mochten meewerken aan dergelijke praktijken op basis van het land- en oorlogsrecht – in België vatte men deze onteigening op als een vorm van plundering. Toen een Duitse notaris werd aangesteld om de ontrechting te faciliteren, was het al zo laat in de oorlog dat die nog maar weinig schade kon toebrengen.”

Na de oorlog moesten de notarissen – vrijwillig dus – 60 procent van het geld dat met overdrachtsakten was verdiend teruggeven. Vrijwel alle notarissen werkten hieraan mee, aldus Schütz. In totaal werd 456.567,33 gulden gerestitueerd. „Het was voor de notaris ook de afkoop van een ambtsmisdrijf”, zegt Schütz in NRC.

Overigens verdienden notarissen na de oorlog opnieuw aan dezelfde misstanden. Ze waren even noodzakelijk bij het rechtsherstel als ze bij de ontrechting waren geweest. De opdrachten daarvoor kwamen „als manna uit de hemel”, stelde een kritische notaris uit Amsterdam verontwaardigd vast.