Recensie

Schol werd al in 19de eeuw overbevist door stoomschip

Een boek over de schol staat boordevol mooie weetjes. Zoals dat de schol wordt geboren als rechtopzwemmend visje en pas na een week of zes op zijn zij gaat zwemmen. En dat de ruzie over de visstand al in 19de eeuw begon toen stoomschip en boomkor de schol massaal wegvisten.

Schol, de bekendste platvis uit de Noordzee: van oudsher armeluisvoer, nu ook in de chique keukens. Maar schol blijft een hoofdpijndossier, voor beleidsmakers én voor de bewuste consument. Kun je hem nog wel met goed fatsoen eten? De Noordzee is toch leeggevist, de bodem kapotgewoeld? Elke kilo platvis levert toch kilo’s dode bijvangst op?

Het ligt allemaal wat genuanceerder, weet Adriaan Rijnsdorp, hoogleraar duurzaam visserijbeheer aan de Wageningen Universiteit. Hij is al 40 jaar betrokken bij het visserijonderzoek in opdracht van de overheid. Samen met evolutiebioloog Roelke Posthumus schreef hij Schol in de Noordzee – Een biografie van de platvis en de Nederlandse visserij.

Kun je daar dan een heel boek over volschrijven? Jazeker, het boek had zelfs nog wel dikker gemogen, want er is duidelijk nog veel meer te vertellen. Bovendien is het hoog tijd dat deze kennis nu eens de consument bereikt – de liefhebber die gedachteloos zijn visje weghapt, maar óók de groendenker die meent dat hij beter sojaburgers van ver kan halen.

Allereerst is het verrassend leuk om te lezen over de biologie van platvissen. Ze worden geboren als rechtopzwemmend visje. Maar na een week of zes begint er een wonderlijke transformatie: het visje gaat op zijn zij zwemmen. Het onderste oog migreert geleidelijk naar de bovenkant van de kop. De bek trekt scheef, en zelfs de organen veranderen van plek. Na een paar weken is het platvisje klaar voor het bodemleven.

Wonderlijk is het trekgedrag. Schollenlarven worden geboren langs de Britse kust. Vervolgens begeven ze zich massaal naar de zogeheten kinderkamers: de ondiepe kustwateren tussen Noord-Frankrijk en Denemarken. De larven laten zich meevoeren door zeestromen, maar moeten ook actief meewerken. Bij aanlandige vloedstroom zwemmen ze omhoog, de waterkolom in, maar bij aflandige ebstroom houden ze zich aan de bodem vast. Ook de timing is van belang. Ze zijn erg gevoelig voor te hoge watertemperaturen. Ze moeten precies op tijd in hun kinderkamer aankomen, als hun transformatie tot platvis net compleet is. Dit lukt maar één op de tienduizend larven.

Maar dan het verhaal van de visserij. Vanaf de Middeleeuwen kwam die goed op gang, met steeds efficiëntere schepen. Na de komst van stoomschepen en de uitvinding van de boomkor (een bodemsleepnet met een verzwaarde voorkant) bleek de zee eind de 19de eeuw niet zo onuitputtelijk als gedacht. De vangsten namen af. En toen begon een eindeloos gesteggel tussen vissers, beleidsmakers en biologen, dat nog steeds voortduurt.

Rijnsdorp en Posthumus vertellen helder en zelfs de beleidsverhalen zijn niet saai. Maar er is veel waar je meer over zou willen weten. Hoeveel dode bodemdieren, zoals zeesterren, gaan er nu echt overboord per kilo gevangen platvis? Wat vinden de auteurs er nu echt van dat ondermaatse vis niet meer overboord mag? Wat vooral blijft hangen is de positieve conclusie dat het goed gaat met de Noordzeevis, dat het visserijbeheer succes heeft gehad en dat we dus best een scholletje mogen eten. Maar er is nog veel onbekend, zoals wat de nieuwe pulskor, die met elektrische stroompjes werkt, met het bodemleven doet. En wat klimaatverandering mogelijk betekent voor de zo gevoelige kinderkamers. „Alertheid blijft geboden”, concluderen de auteurs. Misschien hadden ze die boodschap wel iets scherper mogen aanzetten.