‘Per ongeluk’ lieten ze een naam weg op de akte

proefschrift

Heel veel notarissen werkten in de Tweede Wereldoorlog mee aan het ontnemen van rechten aan de Joodse bevolking.

Notaris Foto NIOD / dagboek mr. J.C.M. Kruisinga

In 2002 maakte Cornelis Boutestijn foto’s op de Rotterdamse ’s-Gravendijkwal waar enkele statige panden werden gesloopt. Bij nummer 157a gaven de slopers hem een pak paperassen dat uit de zoldering was gevallen. Het waren repertoria, korte beschrijvingen van akten uit het kantoor van notaris De Kat, en ze dateerden uit de oorlogsjaren.

„Dat zijn van die vondsten waar een historicus van droomt”, zegt Raymund Schütz. Hij kreeg de documenten van Boutestijn omdat die las dat Schütz onderzoek deed naar het Nederlandse notariaat in oorlogstijd. „De Kat had ze waarschijnlijk verstopt toen na de oorlog de politieke recherche in Rotterdam onderzoek begon te doen naar de rol van notarissen bij de onteigening van Joodse huiseigenaren.” De „tijdcapsule” bood Schütz compleet zicht op de transacties van Joods onroerend goed die in dit kantoor passeerden.

De Rotterdamse notaris Eliza Johannes Marius de Kat is een van de hoofdpersonen in het boek Kille mist. Het notariaat en de erfenis van de oorlogstijd waarop Raymund Schütz (52) maandag promoveert. De promovendus, onderzoeker bij het oorlogsarchief van het Rode Kruis, komt tot een scherpe conclusie: een groot deel van het Nederlandse notariaat heeft bewust meegewerkt aan de formalisering van de ontrechting van Joden. En de notarissen hebben er goed aan verdiend.

In februari 1941 werden Joodse notarissen en kandidaat-notarissen op last van de Duitsers uit het ambt gezet. De Broederschap der Notarissen heeft zich daar niet tegen verzet. De beroepsvereniging stelde nog wel voor om ten minste de Joodse kandidaat-notarissen hun vak te laten uitoefenen, onder toezicht van een niet-Joodse notaris. Secretaris-generaal Hooykaas van Justitie wilde er wel over denken, mits de notarissen de kosten zelf zouden dragen. „Toen was het meteen van tafel”, zegt Schütz.

In de loop van 1941 begonnen de Duitsers ernst te maken met de ontrechting van de Joden, de roof van al hun bezittingen. Hun tegoeden moesten de Joden registreren en later overdragen aan de bank Lippmann Rosenthal. Voor hun onroerend goed was de Niederländische Grundstücksverwaltung opgericht. Via filialen in het land werden panden van Joodse eigenaren onteigend. De notarissen werkten in grote getale mee door het passeren van verkoopakten.

Ze roken hun kans

Schütz onderscheidt drie posities ten opzichte van de maatregelen van de Duitsers. Kern van de pragmatische positie is lijdelijkheid, het uitgangspunt dat een notaris domweg op schrift stelt wat zijn klanten vragen. Het bestuur van de Broederschap riep begin 1941 de leden per circulaire op hun geweten bij de ambtsuitoefening niet te laten meewegen.

Notaris De Kat was van het tweede type: de ondernemende notaris. „Hij wist van de hoed en de rand en deed desondanks zaken.” De prijzen van de onteigende woningen lagen zo’n 25 à 30 procent onder de marktprijs – de ondernemende notarissen besloten er geen vragen bij te stellen. Soms bogen ze de regels een beetje bij, bijvoorbeeld door een bepaalde naam weg te laten op de akte. „Zij roken hun kans en grepen hem.”

Schütz laat zien dat sprake is van een boom in de huizenverkoop tussen voorjaar 1942 en augustus 1943 – en dat die gelijke tred hield met de deportaties van de Joden. Naar schatting werden 10.000 Joodse panden doorverkocht. De totale waarde bedroeg zo’n 150 miljoen gulden – tegenwoordig 750 miljoen euro.

Hielden alle notarissen zich doof, stom en blind? Nee, er was een derde categorie, zegt Schütz: de ethische notaris. Jan Kruisinga in Vriezenveen die zijn collega’s al in 1941 wees op hun eigen verantwoordelijkheid en zei dat zij de belangen van al hun cliënten moesten dienen, op basis van de beginselen van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid. De Amsterdamse notarissen Lubbers en Abma die waarschuwden dat de akten na de oorlog nietig zouden worden verklaard.

Schütz vergeleek de Nederlandse situatie met die in België. „De Belgische notarissen zijn eerst gaan vertragen. Daarna traden ze met de magistratuur in overleg. Ten slotte is vastgesteld dat notarissen niet mochten meewerken aan dergelijke praktijken op basis van het land- en oorlogsrecht – in België vatte men deze onteigening op als een vorm van plundering.”

Telefoontje van Justitie

Na de oorlog wilde de procureur-fiscaal vervolging instellen tegen verschillende Rotterdamse notarissen. Toen het ministerie van Justitie hier lucht van kreeg, ging een telefoontje naar het tribunaal: de dossiers moesten op last van de minister worden ingetrokken.

Voor Justitie, zegt Schütz, was het een praktische kwestie: als na een veroordeling door het tribunaal overal in het land civiele zaken zouden worden aangespannen tegen notarissen, zou het toch al overbelaste rechtssysteem verstopt raken.

De minister van Justitie stelde na de bevrijding voor dat de notarissen een deel van het geld dat ze in de oorlog aan deze transacties hadden verdiend zouden terugbetalen. De Broederschap zette de hakken in het zand. Er was niks mis met hun werk tijdens de oorlog, zeiden ze.

Schütz: „De notarissen maakten een ethische constructie om zichzelf vrij te pleiten. Ze zeiden: ja, we wisten wel dat de huizenprijs heel laag was, en dat het dus misschien wel Joods bezit kon zijn, maar we dachten dat er na de bezetting wel een compensatieregeling zou worden ingesteld.”

Uiteindelijk is met Justitie een vrijwillige restitutie-regeling overeengekomen. De notarissen moesten 60 procent van het geld dat met overdrachtsakten was verdiend teruggeven. Vrijwel alle notarissen werkten hieraan mee, ook notaris De Kat. „Maar een andere beruchte ‘ondernemer’, notaris Hermans uit Amsterdam deed of zijn neus bloedde.”

In totaal werd 456.567,33 gulden gerestitueerd. Schütz: ,,Het was voor de notaris ook de afkoop van een ambtsmisdrijf.”

Overigens verdienden notarissen na de oorlog opnieuw aan dezelfde misstanden. Ze waren even noodzakelijk bij het rechtsherstel als ze bij de ontrechting waren geweest. De opdrachten kwamen „als manna uit de hemel”, stelde de ‘ethische’ notaris Lubbers verontwaardigd vast .

Ook de Belastingdienst profiteerde. Die hief 5 procent belasting op de waarde van elke transactie. „Ik schat dat de schatkist alleen al op de eerste verkoop van de huizen van Joodse eigenaren 5 miljoen gulden heeft verdiend.”

De notarissen „stonden niet te springen” toen Schütz zijn onderzoek aankondigde. „Maar ze weten ook: in deze tijden kun je er niet meer onderuit.” Twee notariële belangenorganisaties financierden het onderzoek.