NRC en Dick Swaab: was ons brein niet iets te creatief?

ombudsman0

Iedereen noemt zich tegenwoordig maar journalist, en die lui mogen zoals bekend alles: schrijven, filmen, bloggen, vloggen, under cover, boven cover, commentaar geven, beschuldigen, vrijpleiten – het liefst alles tegelijk.

Althans, die indruk krijg je soms in de digitale achtbaan vol duitjes-in-de-zak-doenders die zich via Facebook, Twitter en andere kanalen uitstrekt tot in de verste uithoeken van Blogistan.

Hoe vroom moet een krant in zo’n wilde omgeving zijn? Eentje die, bijvoorbeeld, nog altijd feiten en meningen wil scheiden en objectiviteit nastreeft in plaats van propaganda.

Ja, ook bij NRC combineren redacteuren tegenwoordig steeds meer taken: ze zijn verslaggever, eindredacteur, corrector, soms columnist. Maar er zijn nog steeds professionele taken die de krant van oudsher niet wil vermengen.

Ik kom daarop door een recente kwestie die de uitgever Van Dick Swaabs nieuwe boek Ons creatieve brein onlangs bij mij aankaartte.

De hoofdredacteur van die uitgeverij, Atlas Contact, tekende bezwaar aan tegen een bericht van wetenschapsredacteur Köhler over de receptie van dat boek (De collega’s van Swaab lezen hem voorlopig niet, 8 oktober). In dat stuk, met als inzet de vraag hoe goed is het boek?”, citeert Köhler een aantal recensies (een zeer positieve: „meesterwerk” en een zeer negatieve: „wartaal”) en laat hij verschillende collega’s van Swaab aan het woord (een medestander en een criticus), die zijn boek nog geen van beiden hebben gelezen.

De uitgever vroeg zich af of de inhoud de „tendentieuze” kop rechtvaardigde.

Nou ja, het stukje was evenwichtig genoeg, en twee collega’s zeggen dit inderdaad. Maar je kunt je afvragen, dat ben ik met de uitgever eens, wat de nieuwswaarde voor een kop is van het feit dat twee collega’s het boek nog niet hebben gelezen. Het is tenslotte geen verplichte vakliteratuur.

Dat raakt aan een ander ambachtelijkpunt, en dat vind ik eerder een probleem. Wim Köhler besprak het boek van Swaab namelijk ook zelf, in het katern Wetenschap van diezelfde krant – en tamelijk negatief (Prettige provocaties, vervelende valkuilen, 8 oktober).

Kan hij dan ook een nieuwsbericht over het boek maken?

Zo’n bericht is op zichzelf een goed idee. De receptie van een nieuwe titel van een nationale bestsellerauteur is tegenwoordig ook nieuws. Köhler werd gevraagd dat stuk te maken, want hij is de expert op dat gebied en de redactie kan op hem bouwen.

Toch vind ik het onverstandig, of beter: zoiets moet je niet doen.

Een recensent is er om te oordelen, een verslaggever om te berichten. Een redacteur die al een (positief of negatief) oordeel heeft gegeven, moet dan niet tezelfdertijd optreden als verslaggever die andermans meningen over hetzelfde boek gaat verzamelen. Hoe objectief hij ook is, of denkt te kunnen zijn, de combinatie wekt de indruk van vooringenomenheid – en daar sloeg de uitgever dan ook op aan.

Het leidt ook tot kramp, want in zijn stuk moest Köhler natuurlijk ook verwijzen naar zijn eigen recensie. Hij noemde die „tussen de uitersten in’’. Toch een beetje een eufemisme voor een recensie met maar twee (van vijf) ballen, over een „een onaf boek”.

Maar de kluwen rond het creatieve brein wordt nog wat ingewikkelder.

Want Swaab was toen ook al geïnterviewd voor NRC, door redacteur Jannetje Koelewijn, die zijn werk al jaren kent. Swaab kwam via haar bemiddeling als columnist bij de krant en zij redigeerde soms zijn columns. Hij riep ook haar hulp in bij zijn eerste boek, de latere kaskraker Wij zijn ons brein en bedankte haar daarvoor. Niets mis mee.

Maar: Koelewijn adviseerde hem, en de uitgever, ook over dit tweede boek, waar ze hem over ging interviewen. Dat (onbetaalde) advies was relevant, want uitgever en auteur dachten aanvankelijk verschillend over de opzet van het boek – Koelewijns advies werd op prijs gesteld. In het Dankwoord wordt zij dan ook, met anderen, bedankt voor het lezen van „het hele boek” en het aandragen van „cruciale verbeteringen’’.

Koelewijn zag daar geen probleem in, want, redeneerde zij, met de wetenschappelijke inhoud had ze geen bemoeienis. Ze dacht de krant juist een dienst te bewijzen, door als een van de eersten een interview te regelen.

Ze lichtte de redactie ook in over haar geschiedenis met Swaabs werk, maar daar werd, voor zover ik heb kunnen nagaan, niet concreet en expliciet genoeg over doorgesproken. Ook niet toen Koelewijn zag dat ze ook in het nieuwe boek werd bedankt. De chef Wetenschap vond dat later wél een probleem, maar toen was het stuk al verschenen.

Recenseren kun je een boek dan niet meer, de auteur interviewen wel?

De chef Weekend die het stuk plaatste, wist tevoren dat Koelewijn het boek had meegelezen, en vindt nu, gezien haar mate van invloed op de wording ervan, dat dit in het interview had moeten worden verwerkt.

Ik zou nog wat verder gaan.

Het hoeft geen probleem te zijn als een journalist een schrijver (professioneel) al kent – journalistiek werk is gebaat bij een goed netwerk. Het is wel een probleem als een journalist een dienst heeft verleend aan de auteur en diens uitgever. Hoe marginaal die dienst ook was (Swaab bedankt nog vele anderen in zijn Dankwoord), de betrokkenheid bij een boek is dan te groot.

Is dat roomser dan de paus?

Nu ben ik van huis uit gereformeerd, dus daar heb je het al.

Bovendien, misschien is mijn normbesef beïnvloed door ouderdom of aftakeling (dat kan, las ik laatst op de opiniepagina). Maar toch. Juist in een tijd dat het onderscheid vervaagt tussen vakjournalisten en anderen die lak hebben aan formaliteiten en aan scheiding van beroepstaken, moet een kwaliteitskrant daar scherp op zijn.

Reacties: ombudsman@nrc.nl