Interview

‘Ik heb een liberaal hoofd en een religieus hart’

Ronit Palache

Ronit Palache (32) groeide op in een traditioneel-joods gezin. In een interviewbundel schrijft ze over de taboes in de gesloten geloofsgemeenschap, zoals het buitensluiten van ‘vaderjoden’ en homo’s. „Ik lig niet meer wakker van kritiek uit de groep.”

Ronit Palache koos als motto van haar boek Ontroerende onzin. De joodse identiteit in het Nederland van nu een gedicht van Judith Herzberg. Er klinkt een verlangenconflict in door. Net als veel van de joden die Palache tussen 2013 en 2016 voor het Nieuw Israëlietisch Weekblad interviewde – en wier verhalen nu gebundeld zijn – heeft zij een ambivalente houding tegenover het jodendom.

We ontmoeten elkaar in een Amsterdams café. Palache (32) is nog in gesprek met een collega bij uitgeverij Prometheus. „Zo”, zegt zij. „Ik ben zo ver, hoor.”

In de Nederlands joodse gemeenschap is de naam ‘Palache’ een begrip. In de zeventiende eeuw was Samuel Pallache (toen nog met dubbel ‘l’) als geboren Marokkaan ambassadeur in Nederland voor sultan Muley Zaydan. „Een kameleontisch figuur”, noemt Palache hem. „Hij kon met joden, christenen en moslims overweg.” Haar overgrootvader Juda Lion Palache was hoogleraar semitische talen aan de UvA. Na zijn ontslag, in 1941, werd hij lid van de Joodse Raad. Drie jaar later volgde deportatie naar Theresienstadt – en van daaruit Auschwitz. Juda Palache werd vermoord, maar zijn naam leeft voort in het Juda Palache instituut.

Alle voorvaderen van Palache (haar vader Bram incluis) zaten in het bestuur van de Portugees-Israëlitische gemeente in Amsterdam. Zij leidden de diensten in de orthodoxe synagoge aan het Mr. Visserplein. Als kind kwam zij er wekelijks. Vanaf de balustrade – waar de vrouwen zitten – keek Palache naar de hoge hoeden van de mannen beneden. Op Grote Verzoendag sliep zij er zelfs. „De hele dag staat in het teken van verzoening met God, bidden, het meezingen met gebeden”, schrijft zij in het voorwoord van Ontroerende onzin. „Gebeden waarin ik niet geloof.”

U schrijft dat het jodendom voor u weinig te maken heeft met geloven in God.

„Ik heb soms moeite mij op de mooie kanten van het jodendom te concentreren: het samen rouwen na de dood van een geliefde, voor elkaar klaarstaan in crises, de gastvrijheid tegenover onbekende geloofsgenoten, waar ook ter wereld. Die mooie kanten worden overschaduwd door een aantal ingewikkelde kwesties binnen de Nederlands-joodse gemeenschap.”

Ze vertelt dat ze traditioneel-joods is opgevoed. Haar ouders voerden een kosjere huishouding. Ze doorliep de lagere school Rosj Pina en de middelbare school Maimonides. Werd lid van jeugdvereniging Bne Akiwa en sportvereniging Maccabi tennis. Omdat haar ouders tolerante mensen zijn, kon zij alles vragen en bespreken. Maar gaandeweg besefte zij ook hoe uitzonderlijk dat is. „Ik ken veel joden die alleen met joden omgaan. Ze zijn wereldvreemd en beschouwen kritiek op de Israëlische politiek als verraad. Het zelfreinigend vermogen van deze gesloten groep is beperkt. Dat is beklemmend voor iemand die graag nadenkt.

„In zo’n kleine gemeenschap is de sociale controle groot. Er wordt veel geroddeld. Joden met alleen een joodse vader zouden er niet bij horen, omdat het jodendom wordt doorgegeven via de vrouwelijke bloedlijn. Orthodoxe joden die trouwen met een niet-jood worden met de nek aangekeken. En wat te denken van de homo’s in die vrome gezinnen? Als ik dáár aan denk word ik zo verdrietig.”

Is de sfeer in liberaal-joodse kring minder beklemmend?

„Zeker, al kun je ook daar niet zo maar lid worden als je alleen een joodse vader hebt. Ik voel mij erg betrokken bij de Portugees-Israëlitische gemeente, maar kan geen lid worden van een organisatie die vaderjoden uitsluit of homo’s niet toestaat als stel lid te worden.”

Heeft u nooit gedacht: ik stap over naar de liberalen?

„Nee. Ik dank God dat er liberale joden zijn, maar het is niets voor mij. Door mijn opvoeding zal ik nooit wennen aan vrouwen met een keppel. Ik heb een liberaal hoofd en een religieus hart. Dat maakt dat ik in Nederland nergens aansluiting vind.

Nederland telt 40.000 tot 50.000 Joden – het exacte aantal hangt deels af van de definitie ‘joods’: wel of geen mensen met alleen een joodse vader. Die definitie-kwestie zorgt voor veel onbegrip, blijkt uit het boek. De 36-jarige Chaim Moszkowicz zegt bijvoorbeeld: „Als kind al besefte ik dat mijn opa anders was dan anderen, met dat vreselijke nummer op zijn arm. [...] Die oorlog roept vragen op: ik geloof wel in íets – al kan ik dat moeilijk onder woorden brengen – maar hoe heeft die oorlog dan kunnen plaatsvinden? Daarom snap ik ook niet dat orthodoxe joden vaak zo neerkijken op liberalen of mensen met alleen een joodse vader; we hebben al zo veel mensen verloren.”

Een van huis uit orthodoxe man wiens kinderen bij joodse clubjes werden geweerd omdat zijn vrouw niet joods is, zegt: ‘Het woord vaderjood hadden de Duitsers ook kunnen verzinnen.’

„Ik kan mij die reactie goed voorstellen. Sommige mensen kwamen er door de oorlog achter dat ze joods zijn. Ze overleefden concentratiekampen. En dan horen ze na de oorlog dat hun kinderen niet joods zijn? Daar word je woedend van.”

Welke groep voelt zich het meest buitengesloten?

„Ik vermoed de orthodox-joodse homoseksuelen. Voor mijn opleiding journalistiek maakte ik een documentaire over homoseksualiteit en religie. Van een van de geïnterviewden, een lesbische orthodox-joodse vrouw, mocht de film alleen aan de examinatoren worden vertoond. Ze had een gezin, maar vertelde dat ze het liefst met een vrouw samen zou leven. Omdat in de Torah staat dat vrouwen niet als man en vrouw ‘tegen elkaar mogen aanwrijven’, houdt zij haar gevoelens verborgen.”

Hoe spoorde u haar op?

„Ik vermoedde dat zij lesbisch was en belde haar. We hebben een waanzinnig gesprek gevoerd. Ze holde naar beneden om een grote stapel lesbische porno tevoorschijn te toveren uit een geheime kast.”

Was u niet verbaasd dat mensen zo openhartig spraken?

„Ik vermoed dat zij zich niet door mij veroordeeld voelden. Ik begrijp hun dilemma’s. Ik háát taboes. En ik ben niet bang een statement te maken. Door de verhalen van vaderjoden in het boek op te nemen, maakte ik duidelijk: zij horen er bij.”

In een column voor het Nieuw Israëlietisch Weekblad nam u het op voor vaderjoden. Hoe waren de reacties?

„Mensen keken ervan op dat ik, kind van twee joodse ouders die nooit voor erkenning hoefde te vechten, mij als een leeuwin op die vaderjoden stortte. Het werd gewaardeerd dat ik mijn bek opentrok. Men was verbaasd, opgelucht. Eindelijk iemand die zegt waar het op staat. Of: ik heb mij nooit gerealiseerd dat vaderjoden zo lijden.”

U begaf zich wel op glad ijs.

„Ik lig niet meer wakker van kritiek uit de groep. Dat ben ik ontgroeid. De verhalen die ik hoorde maakten mij soms boos en verdrietig. Ik dacht: wat we elkaar aandoen met dat kleine clubje!”

Dat door de oorlog gedecimeerde clubje.

„Dat speelt zeker mee. Ik heb mij vaak afgevraagd of de joodse gemeenschap in Nederland zonder die oorlog ook zo verscheurd zou zijn geweest. Er zijn voor de oorlog nooit op deze manier getuigenissen van Nederlandse joden opgenomen. En toch denk ik dat joden voor de oorlog niet zo met hun identiteit bezig waren. Je was joods. Punt. Die oorlog heeft een donkere sluier over alles heen gelegd. Voor bijna geen van de geïnterviewden is het jodendom alleen een positieve aangelegenheid. Het gaat heel veel over vervolging, angst, antisemitisme en schuldgevoel.”

De oorlog werkt diep door in de levens van Nederlandse joden. ‘Bij wie kan ik onderduiken’, blijkt een actuele vraag.

„Ik vind het niet goed mensen op die manier in te delen. De oorlog is voorbij. Toch zijn er momenten dat de verhoudingen op scherp komen te staan. Tijdens de Gaza-oorlog in 2014 werd ik als jood ook constant als ambassadeur van Israël op het matje geroepen. Ik had de neiging te roepen: ‘Hallo, laat me met rust, ik vind Netanyahu ook een lul!’ Van joden wordt verwacht dat zij zich uitspreken tegen de Israëlische politiek. Tel daar het stijgende antisemitisme bij op, en je begrijpt beter waarom mensen over onderduiken praten. Joden worden niet voor niets ‘de kanarie in de kolenmijn’ genoemd. Antisemitisme is een graadmeter voor hoe een samenleving zich verhoudt tot minderheden.”

Vertegenwoordigers van de joodse gemeente brengen de oorlog al snel ter sprake. Dat wekt irritatie op.

„Daar komen ze weer met hun holocaustkaart, wordt er dan gezegd. Ik vind nuance belangrijk bij ingewikkelde kwesties. Zo voorkom je dat niemand meer luistert als het écht nodig is. En als je alles met de oorlog vergelijkt ontneem je mensen ook het recht op hun éigen, andere, leed.”

Op de vraag of zij een joodse Don Quichot is, begint Palache uitbundig te lachen. „Soms vraag ik mij inderdaad af waar ik mee bezig ben. Dit gevecht ga ik nooit winnen. Maar ik vind het belangrijk dat mensen zich niet laten beknotten door wat religieuze dogma’s voorschrijven.”

Wat hoopt u met uw boek te bereiken?

„Dat de joodse gemeenschap kritisch naar zichzelf gaat kijken. En dat mensen zien dat het jodendom toch best een bijzondere aangelegenheid is. Ingewikkeld, maar ook buitengewoon.”

Joden zouden zichzelf vaker de spiegel moeten voorhouden?

„Het zou helpen als we ons meer richten op persoonlijke tragiek dan politiek. Niet vragen waarom mensen er niet bijhoren, maar waarom wél. Dat zou veel leed besparen.”