Het meisje dat al helemaal af leek

Jonge jaren Hoe word je wie je bent? Harpiste Lavinia Meijer is genomineerd voor de Edison Klassiek Publieksprijs. Als Zuid-Koreaans meisje van twee maakte ze kennis met haar Nederlandse ouders, op Schiphol.

Het ouderlijk huis

Ze lijken op elkaar, zeggen ze, Lavinia Meijer en haar moeder, Inge. Allebei veeleisend, vooral voor zichzelf, maar ook voor anderen. Allebei doorzetters, allebei perfectionisten. En ook, maar dat zullen ze over zichzelf niet gauw zeggen, wel over elkaar: allebei hartelijk en vriendelijk. Kom maar op zaterdag, had Lavinia gezegd, dan ben ik bij mijn ouders in Bennekom. Kun je die ook meteen spreken.

Alleen, Lavinia Meijer is niet de biologische dochter van Inge Meijer. Lavinia is Zuid-Koreaans, oorspronkelijk heette ze Soo-Ji, en toen ze 2 was is ze samen met haar broertje, Robbie van 4, geadopteerd door Rob (nu 64) en Inge Meijer (61). Die hadden al een eigen dochter, Lydia. Later kwam er nog een Ethiopisch jongetje bij, Guy. Dat wilden ze graag: eigen en adoptiekinderen.

Rob en Inge Meijer ontvangen in de achterkamer. Inge is Oostenrijks, je hoort het nog een beetje aan haar accent. In de voorkamer, door een tussenraam, zie je Lydia en haar twee kleine kinderen. Die zijn ook op bezoek. Soms komt er eentje even binnen, om tegen opa’s knie te leunen. Lavinia komt een uur later pas de kamer in, om het gesprek niet te storen.

De ontmoeting

Inge: „We haalden ze van het vliegtuig, haar en haar broertje, en wat je toen zag was een meisje dat op een bepaalde manier al af leek, alsof er wijsheid in haar school. De man die haar had begeleid zei: u krijgt een parmantige dame. Niet dat ze er parmantig uitzag. Ze was piepklein, met een groot hoofd en weinig haar. Dat kwam van de ondervoeding.”

Rob: „Ze liep meteen naar mij toe.”

Inge: „En toen ze mij zag ging ze huilen. Rob straalt vriendelijkheid uit, ik ben strenger. Oostenrijks, hè. De eerste drie maanden sliepen ze samen bij ons in de kamer. Lavinia lag bij mij op de buik.”

(Lavinia, later: „Mijn eerste herinnering hier? Dat ik op de buik van mijn moeder lag.”)

Inge: „Ze was anders. Die volwassenheid dus. Maar ook: een hele fijne motoriek. Ze kon urenlang met grote precisie papiertjes vouwen. En als ik koekjes bakte en zij hielp mee, dan maakte ik gewoon rondjes maar vormde zij zwaantjes.”

Rob: „We zagen haar niet als bijzonder. Ze was gewoon een kind, met vriendjes en vriendinnetjes. Verlegen, dat wel. En onzeker. Heel slim, ook. Ze sloeg een klas over.”

Inge: „Ze kwam soms huilend thuis van school. Dan had ze zich verveeld. Of, dat kon ook: dan vond ze dat het niet perfect was wat ze had gedaan. Dat gebeurde met de pianoles. Daarna wilde ze harp spelen, omdat ze dat gehoord had en mooi vond. Ze was toen negen jaar oud. Wij zeiden: nou, eerst maar eens wat lessen op de muziekschool dan. Na twee jaar kwam er een invaller, die gelijk voorstelde dat ze zou voorspelen bij een professionele harpdocente, op het conservatorium. Zo is het begonnen.”

(Lavinia, later: „Ik was me ervan bewust dat ik anders was, dat ik er anders uitzag. Daar werd ik ook wel eens mee gepest. Thuis speelde het geen rol, in ons gezin waren we er juist trots op dat we anders waren dan andere gezinnen. We maakten er ook grapjes over. Mijn man heeft toverballen, zei mijn moeder dan bijvoorbeeld. Wel was ik van de vier kinderen het meest verlegen, ik vond het heel moeilijk om direct iets tegen iemand te zeggen. Alleen als ik harp speelde viel dat weg. Daar ging ik in op, ik viel ermee samen. Dat zeiden mensen ook: dat ik dan veranderde.”)

De strubbelingen

Inge: „Het harpspelen was onmiddellijk bijzonder. Als ze op Koninginnedag op straat speelden, Robbie op de doedelzak en Lavinia op de harp, bleven mensen meteen staan, meteen. Dat was niet alleen de muziek, het was ook haar uitstraling, die kracht die je al zag toen ze het vliegtuig uitkwam. Het was dubbel: een compleet, af iemand die tegelijk verlegen en onzeker was. In die tijd begon ook de competitie met mij. Want ik ging haar pushen.”

Rob: „Nou, pushen. Je ondersteunde haar.”

Inge: „Als je uit een ander land komt, benadruk je voor jezelf die cultuur. In mijn geval is dat: hard werken, de dingen goed regelen, zorgen dat je er netjes uitziet. Dus ik ging van alles doen voor haar. Speciale schoenen kopen, jurken laten maken. Ik zei hoe het moest gebeuren.”

Rob: „Terwijl ik eerder zeg: zullen we het anders eens zo doen.”

Inge: „Ik snapte het soms ook niet. Dan stapten we in de auto naar een concert dat ze ging geven, als meisje van dertien, veertien, en dan zei ze de hele weg niks tegen me. Terwijl ik zenuwachtig was: zal het wel goed gaan straks. Het is toch je dochter, op dat podium.”

(Lavinia, later: „Ik was soms niet te harden, weet ik nu. Voordat ik naar zo’n concert ging concentreerde ik me, en dat is net alsof je in een trechter verdwijnt. Voor mijn eigen gevoel wordt mijn wereld dan groter, maar dat is niet zo: de creativiteit neemt de plaats in van de gewone dingen van het leven. Na het concert, na de ontlading, realiseer ik me dat ook: ik zat weer in een trechter, zeg ik dan, sorry. Tenminste, dat zeg ik nu, nu ik weet dat het zo werkt, toen wist ik dat nog niet. Dus ik had liever dat mijn vader me naar concerten bracht, die was tenminste ontspannen. Bij mijn moeder werd ik extra zenuwachtig. Mijn moeder is pittig, ze heeft hoge verwachtingen. Dat gaf me ook steeds het gevoel: ik moet me bewijzen. Maar mijn ouders hebben zich nooit bemoeid met de muziek zelf, dat ik meer moest studeren bijvoorbeeld.”)

Het succes

Rob: „Het is best raar, dat een onzeker iemand zich zo blootgeeft op een podium. Maar toen ze begon stond ze daar nog niet bij stil.”

Inge: „Het kan zijn dat ze onbewust dacht: ik zal jullie laten zien dat ik er ben.”

Rob: „Dat weet ik niet, ik weet wel dat ze altijd al iets bijzonders wilde. Ze heeft de harp als solo-instrument op de kaart gezet, en dat heeft ze klaargespeeld met enorm veel inzet, talent en doorzettingsvermogen. Ze stond elke dag om vijf uur op om te gaan spelen, terwijl ze ook nog het gymnasium deed. Ze had daar trouwens wel expres de vakken gekozen waarvoor je niet van alles uit je hoofd hoefde te leren: wiskunde, natuurkunde, scheikunde. Dat scheelde tijd.”

Inge: „Maar dan had ze een concert in Brussel en dan zei ze: Brussel, waar ligt dat? Zat ze in vijf gymnasium. Dus dan zei ik: hier is iets misgegaan. Waarna ze dagenlang in een atlas zat te bladeren, totdat ze ook dat onder de knie had.”

Rob: „Ze pakt alles planmatig aan. Ze neemt concerten op en luistert terug hoe ze het gedaan heeft. Hoe het overkomt en of het beter kan. Zo is ze ook haar verlegenheid te lijf gegaan.”

Inge: „Ja, ze is veranderd. Maar bescheiden is ze nog altijd. Ze treedt niet naar buiten als het niet hoeft.”

(Lavinia, later: „Zes jaar geleden heb ik mijn biologische vader ontmoet, waar mijn biologische moeder is weten we niet. Hij heeft ons na de scheiding moeten afstaan, mijn broer en mij, omdat hij ons niet kon onderhouden. Door die ontmoeting realiseerde ik me meer dan daarvoor: mijn ouders hebben mij opgevangen alsof ik hun eigen dochter was. Ik voelde toen een grote dankbaarheid, ik dacht: hoe is het mogelijk dat ik me zo druk heb gemaakt over kleine dingen, ergernisjes om niks. Toen ik terugkwam op Schiphol, en mijn ouders me op stonden te wachten, was dat emotioneel. Ik heb mijn moeder een arm gegeven. En zo zijn we door Schiphol gelopen, ik voelde me een trotse dochter.”)