Column

Het eerlijke verhaal: méér ruzie tussen Samsom en Asscher, graag

Deze week: Samsom versus Asscher en de nakende implosie van een van de grote naoorlogse volkspartijen.

Ofwel: benodigdheden voor PvdA-herstel: minder vriendschap, meer ruzie.

Dat was geraffineerd van Diederik Samsom: Lodewijk Asscher het kinderboek Jij bent mijn vriend cadeau doen op het tweede debat in hun leiderschapsstrijd, in Tilburg.

Je uitdager, man van onverwachte scherpte, pareren met vriendschap. De tegenstellingen ontkennen, zijn aanvallen relativeren, de gezamenlijkheid opzoeken: samen voor de PvdA. En dan hopen dat genoeg partijleden, die de nieuwe leider kiezen, weekhartig worden.

Probleem lijkt me alleen dat die PvdA bij afgehaakte kiezers geen enkele indruk maakt met schijneenheid en verplichte vriendschap. Mensen hebben eigen (sociale) media, ze spinnen zelf, en kijken dwars door dit soort poses heen.

De implosie van een van de grote naoorlogse volkspartijen is nabij; de peilingen staan al drie jaar op tien à vijftien zetels. Intussen is de burger boos dan wel ontstemd, en electoraal op drift.

Onder die omstandigheden doen alsof de PvdA naar haar oude niveau kan terugkeren zolang haar kandidaat-leiders vriendelijk voor elkaar blijven, is de waarheid liegen. Alsof V&D ten onder ging wegens gebrek aan vriendschap. Alsof alles voor de EU is opgelost wanneer alle lidstaten weer aardig voor elkaar zijn.

De PvdA is het contact met de progressieve kiezer kwijt. En mij lijkt dat ze dit contact pas kán terugwinnen nadat de partij zelf ruzie over de koers laat zien. Onmin, spanning, strijd, venijn - in de allerhoogste kringen. We feel your pain.

Diederik Samsom moet helemaal niet hopen op vriendschap van Asscher: hij moet hopen op méér schurende aanvallen van zijn opponent.

Dat is, deze keer, het eerlijke verhaal.

Ik wil niet zeggen dat dit billijk voor hem is. Je kunt goed verdedigen dat Samsom een van de moedigste politici van zijn tijd is. Hij waagde grote stappen die het land verder brengen, en riskeerde zo het verlies van zijn eigen kiezers. Chapeau.

Maar helaas voor hem heeft politiek een soort Twitterdynamiek gekregen: kleine bewegingen worden grote gebeurtenissen nu kortademigheid het gesprek stuurt.

Succes wordt uitvergroot, de jaloezie en teleurstelling die succes oproepen ook, en zo volgt op plotseling succes standaard een afrekening. Wat Samsom nu dreigt te overkomen, overkwam bijvoorbeeld Jolande Sap in 2012.

Het geduld met partijleiders krimpt dan ook. Alleen uitblinkers (Rutte, Wilders) weerstaan dat, dus de meeste partijen moeten oppassen niet te lang met hun leider door te gaan: niet toevallig zijn politici slecht voor kijkcijfers van talkshows geworden.

Zodoende is het verstandig dat de PvdA haar zeer verzwakte reputatie onder voormalige kiezers probeert op te krikken met een leiderschapsstrijd. Als ze bij D66 en SP de tijdgeest beter hadden aangevoeld, ik noem twee voorbeelden, zouden ze hetzelfde hebben gedaan.

Samsom heeft deze strijd naar eigen zeggen altijd gewild – maar dat is niet het hele verhaal. Naarmate de deadline naderde, liet hij intern merken dat het voor hem niet per se meer hoefde.

Vanuit zijn omgeving kwamen pleidooien voor een gezamenlijke lijst met alle kopstukken – Samsom, Asscher, Dijsselbloem, mogelijk zelfs Timmermans. Dat had alleen weinig kans: je kon allang zien aankomen dat Asscher het zelf ging proberen.

Dus toen het uitdraaide op een strijd tussen alleen Samsom en Asscher, mede omdat de PvdA het interessante tegengeluid van Monasch verloor, was Samsom zo slim het zaakje vanaf dag één te depolitiseren. Hij en Lodewijk waren het eigenlijk overal over eens, zei hij. Vrienden.

Veel media gingen hierin mee, want oppervlakkig gezien klopte het: de partijleider en de vicepremier waren de PvdA-gezichten van Rutte II.

Tegelijk klopte het niet. Den Haag leerde Samsom de laatste jaren kennen als rationalist met een emotionele binnenkant: modern links, slim, efficiënt, betrouwbaar – aanhanger van het grootste gebaar. Asscher als rationalist met een harde binnenkant: klassiek links, handig, soms gewiekst, altijd onbewogen – zelfs onder hoogspanning.

Een co-onderhandelaar omschreef hem ooit als zo’n type dat je tien keer kopje-onder duwt: ook de tiende keer zegt hij, rood aangelopen, wéér nee. Vraag in de VVD met wie ze liever werken, en ze zeggen allemaal: Samsom.

Het was voor insiders dan ook geen verrassing dat Asscher, nu hij tegen alleen Samsom stond, bij zijn eerste kans de aanval op de partijleider opende. Zij zijn nu eenmaal zéér verschillend.

En veel is onder de Haagse kaasstolp gemaakt van Asschers standpunt, in het eerste debat met Samsom, dat de PvdA-leiding haar kiezers in 2012 niet genoeg ‘meenam’ in de overrompelende keuze voor de VVD. Dit verwijt zou, volgens het kamp-Samsom, unfair van Asscher zijn – de vicepremier werd destijds immers gekend in Samsoms keuzes, en stemde ermee in.

Maar wie Asschers tekst in het debat terugleest, ziet dat de discussie daar niet om draait: die draait om de vraag of het achteraf tegenover de achterban verstandig was zo snel voor de VVD te kiezen. En het verschil is: Samsom vindt nog steeds van wel, Asscher van niet.

Geen kleinigheid. De val van de PvdA in de peilingen begint vanaf dat moment. Dus dit gaat over de vraag: zou je de volgende keer wéér zonder omwegen met je grootste electorale opponent in bed kruipen, of eerst alternatieven onderzoeken? Ofwel: heb je iets geleerd?

Maar deze week merkte ik dat Samsoms depolitisering sluimerend succes heeft. Hoewel de partij belang heeft bij opgevoerde aanvallen, om de aandacht voor het merk te vergroten, wijst veel erop dat de kandidaten er na twee debatten voor terugdeinzen.

Tekenend is dat ze een televisiedebat nog steeds afhouden – de beste manier om aandacht op hun strijd en op de partij te vestigen.

Zo dreigt ook deze voorverkiezing te eindigen in een Hollands potje toepen, waarbij de voorstanders van voorzichtigheid vergeten wat het effect voor de partij is als de strijd bikkelhard is: alleen dan wordt de winnaar geïnterpreteerd als belichaming van een wederopstanding.

Vandaar het belang van méér ruzie.

Wie intussen vaststelt dat de problemen van de PvdA indringender zijn dan het leiderschap, komt voor de vraag of er überhaupt veel kans op wederopstanding is. En ook of het land doorheeft wat het aan weggooien is.

Vergeet niet: deze partij werd in 1946 gevormd als fusie van socialisten met christendemocraten en liberalen om een progressieve Doorbraak te forceren. Ze leverde twee van de sterkste naoorlogse premiers – Drees en Kok.

Tragisch genoeg is dezelfde partij nu deel van de verkruimeling die zij tegen zou gaan. Vanaf de liberale flank valt D66 de restanten van het vakbondsocialisme aan. Vanaf links de SP de kortingen op verzorgingsstaat en zorg. De laatste jaren vertrokken Kuzu en Öztürk en vormden Denk, kansrijke partij van nieuwe Nederlanders. Onlangs splitste ook Monasch zich af, die volgende week een partij lanceert met een sociale agenda en scepsis over immigratie en de EU.

Intussen beheren de achterblijvers in de partij een culturele en economische agenda die amper aanslaat bij haar klassieke doelgroep, de gewone man, terwijl het partijkader een wereldje van vooral hoogopgeleiden is.

Gevolg is dat het programma meer door academische inzichten dan maatschappelijke noden wordt gedomineerd. Den Uyl beloofde in de jaren zeventig een autootje voor alle Nederlanders. Geen PvdA-leider die nu nog belooft te vechten voor een vaste baan voor alle Nederlanders – hoewel de afwezigheid daarvan veel van de spanningen verklaart.

Je kunt zeggen dat de komende tijd het PvdA-leiderschap op het spel staat. Ik denk dat het meer is. Als de PvdA volgend jaar inderdaad terugvalt naar tien tot vijftien zetels, dreigt behalve een bestuurderstraditie ook een idee verloren te gaan: dat gezamenlijkheid meer voorstelt dan verkruimeling.Ik zou denken: dat is wel een paar ruzies waard.