Recensie

De langst zittende opera-directeur ter wereld

De Nederlandse Opera werd dankzij deze ‘mysticus’ een internationaal begrip, door juist het accent te leggen op nieuwe muziek.

Pierre Audi in 2014. Foto: Andreas Terlaak

Het laatste hoofdstuk, gewijd aan saillante karakteriseringen, was een mooi begin geweest. Zo typeert dirigent Reinbert de Leeuw Pierre Audi als volgt: ‘Ik denk dat hij echt een verwend kind is. Maar dat heeft hem een ongelooflijke kracht gegeven. Dingen gebeuren zoals hij het wil.’ Rebecca Robertson, directeur van The Park Avenue Armory in New York, zegt: ‘Zijn Rolodex gaat door tot in het oneindige.’ Audi zelf: ‘Ik heb geen netwerk. Ik ken mensen met wie ik een belangstelling deel.’

Over twee jaar verlaat Pierre Audi (Beiroet, 1957) De Nationale Opera (DNO). Hij is er dan dertig jaar artistiek directeur geweest, de langst zittende opera-directeur ter wereld. De man die in 1988 in Amsterdam begon als ‘dark horse’ uit de Londense avant-garde-scene, verlaat de opera in de wetenschap dat hij een nationaal zorgenkind opvoedde tot een volwassen, internationaal geacht instituut.

Vooruitlopend op zijn vertrek en zijn benoeming tot directeur van het kunstenfestival in Aix-en-Provence verscheen het boek Man en mythe. Een ‘biografie’ mag het niet heten. Je kunt je ook afvragen of van Audi, zelfs volgens zijn moeder ‘iets van een mysticus’, een gewone biografie mogelijk is. Roland de Beer, voormalig muziekredacteur van de Volkskrant, komt echter met zijn fijne psychologische tentakels in de buurt.

Het boeken van zangers

De Beer onderneemt een prismatische zoektocht naar het artistieke doen en laten van Pierre Audi als operadirecteur, regisseur en verbinder. Voer voor insiders, zou je zeggen. Maar met Audi in het middelpunt waaiert het boek uit. Naar de geschiedenis van de opera. Naar actuele ontwikkelingen in het theater, de organisatie van een operahuis of podiumkunstenfestival (Audi was tussen 2005 en 2014 directeur van het Holland Festival), het boeken van zangers (wie kost wat per avond?) en meer smakelijks van achter de schermen.

De toegankelijkheid wordt verder vergroot doordat De Beer gesprekken voerde met Audi’s familieleden en 65 kunstenaars die met hem werkten. Dat levert mooie anekdotes op, zoals van zusje Shérine, die hem omschrijft als een ‘geboren volwassene’ die als kind graag priestertje speelde. Ook in hoofdstukken over zijn volwassen leven en functioneren zijn het de terloopse citaten die Audi als mens, mythe en maker dichtbij brengen (zanger John Bröcheler: ‘met een bepaalde blik kan hij heel ongelukkig kijken.’)

Audi gunde zijn niet-biograaf veelzeggende doorkijkjes in zijn wording. Hij reisde met De Beer naar Oxford, zijn alma mater, en zelfs naar het gecompliceerde Libanon, die ‘prachtige, van binnen rottende vrucht’ waar hij zijn jeugd doorbracht. Na zijn vertrek naar Europa kwam Audi er sporadisch en altijd met tegenzin terug, maar De Beer arceert moeiteloos de sporen die het land op Audi achterliet in zijn eclectische ensceneringen (de voorkeur voor leegte, rituelen, ruïnes), zijn gestileerde bewegingstaal, zijn fascinatie voor het mythische.

Audi zette zijn eerste schreden als theatermaker als geschiedenisstudent in Oxford. Daarna wist hij wat hij wilde: ‘het juiste theater maken en daar het juiste publiek voor vinden.’ De schetsen van zijn pioniersjaren zijn fascinerend voor wie Audi’s latere werk kent. In het door hem gestichte Almeida Theatre in Londen omringde hij zich met kunstenaars van wie velen later wereldberoemd werden. In 13 jaar realiseerde hij er veel no (of low) budget-voorstellingen. Toonaangevende componisten als Kurtág, Nono, Cage, Krenek – ze kwamen allemaal naar het Almeida. Audi ontwikkelde er de eigenschappen die hem als operadirecteur en regisseur kenmerken: zelfvertrouwen, mensenkennis, charisma en de gedrevenheid waarmee hij projecten van de grond krijgt.

Zijn Almeida-jaren maakten Audi in 1987 tot dé kandidaat voor het artistiek directeurschap van De Nederlandse Opera (DNO), destijds een ‘gewond bedrijf.’ Men zocht een inspirator, iemand die uit de as een fenix kon laten verrijzen. In de keuze voor Audi speelde de hoop mee dat ‘een bovengemiddeld risico ook een bovengemiddeld resultaat kon opleveren.’ Audi, vrij naar Parsifal: ‘Ze zochten een Reine Dwaas. Dat was ik.’

Soepel ging het niet meteen, juist doordát Audi veel anders wilde; zijn wensen botsten met de praktische mogelijkheden. Tegelijkertijd kon hij bogen op een groot netwerk, waarmee hij legendarische producties realiseerde die DNO op de wereldkaart zetten, zoals Schnittke’s Life with an Idiot en Schönbergs Moses und Aaron.

Op het gebied van nieuwe muziek kon DNO ‘nummer 1 in de wereld worden’, vond Audi. Omgerekend bracht het huis onder zijn leiding jaarlijks een wereldpremière, waarvan Audi ongeveer een derde zelf regisseerde.

De gekozen opzet van het boek loopt niet altijd even soepel, en stilistisch permitteert De Beer zich soms een sleetse frivoliteit (‘een cupido met een gouden pikje’). Maar bewonderenswaardig is de manier waarop facetten van Audi’s persoonlijkheid en creativiteit worden benoemd en achterhaald, waardoor je de status quo van DNO met frisse blik beziet.

Is het voor een artistiek bedrijf goed als een directeur dertig jaar aanblijft én veel afwezig is? Dat blijft een relevante vraag. Maar Audi’s koers was trendsettend, en ís nog steeds heel bijzonder.