Column

Een dwaling, maar de machine gaat door

Zou het echt waar zijn? In het boek Onschuldig vast, dat deze week uitkwam, laat wetenschapsfilosoof Ton Derksen zien dat, in Nederland, minimaal duizend onschuldigen per jaar schuldig worden bevonden. In het Vlaams noemen ze zoiets een ‘hallucinant’ cijfer. Derksen vat in zijn studie veel van zijn kennis over cognitieve instincten en waarschijnlijkheidstheorie samen, combineert dat met buitenlands onderzoek en interviewde rechters, rechercheurs, gevangenisdirecteuren en veelplegers.

Fouten, stelt Derksen, zijn onontkoombaar en komen in veel hogere percentages voor dan we weten. En we doen er vrijwel niks mee. Dit in tegenstelling tot andere landen, waar actief wordt gezocht naar foute veroordelingen. En zijn ze hersteld, dan worden ze besproken en wordt er van geleerd. Dat is goed voor het gezag, de rechtszekerheid, de rechtsstaat. ‘Bij ons’ worden herzieningen zelden gevraagd en nog minder toegekend. Wat de illusie versterkt dat het wel niet waar zal zijn, die hoge foutscore. En we hier dus de beste rechercheurs, officieren, advocaten en rechters ter wereld hebben.

Nu lijkt het mij ook ongelooflijk moeilijk om te moeten erkennen dat je wel eens een onschuldig iemand bestraft. En toch is bewezen dat er wel eens een vals proces-verbaal in het dossier zit, met een gemanipuleerde bekentenis. Er wordt wel eens ontlastend bewijs weg gehouden; of alleen dat deel van de feiten verteld dat past in het schuldig-scenario.

Blij dat ik niet hoef te beslissen – dat gevoel bekruipt me sowieso al na een willekeurige strafzaak, waarin niet álles evident bleek. Zo’n zaak waar de officier al meteen een paar ten laste gelegde feiten pardoes laat vallen, omdat het bewijs niet sterk genoeg is om er op de zitting mee voor de dag te komen. Waar de advocaat plausibele verklaringen biedt voor wat er is voorgevallen. Waar de verdachte verkeerd gecast lijkt voor wat hem wordt aangewreven.

Wat niet wegneemt dat ik slechts één keer een veroordeling meemaakte waar ik écht aan twijfelde. Het was een zedenzaak met een lange lijst onaangename gedragingen, waarvan de rechter tenslotte alleen de geringste bewezen achtte. Een ‘poging tot’, niet eens de handeling zelf. Veel maakte dat ook niet meer uit – de man was z’n reputatie allang kwijt. Maar wat is dát soms moeilijk: kiezen tussen veroordelen of vrijspraak.

Van de zomer interviewde ik de Haagse oud-president Hans Hofhuis die de zaak Lucia de Berk meemaakte. Destijds werd vastgesteld dat niet eens zozeer de verkeerde was veroordeeld, maar dat het gehele misdrijf ontbrak. Alle sterfgevallen waren natuurlijk verklaarbaar; niemand had het gedaan. Zij kwam vrij, kreeg een hoge schadevergoeding en excuses van de minister van Justitie. Daarna werd de wet aangepast, kregen OM en politie hulp bij het voorkomen van ‘tunnelvisie’ en werd de strafrechtspraak versterkt met technische expertise.

Maar was dat genoeg? Hofhuis zei: „Wij hadden de rechterlijke organisatie binnenstebuiten moeten keren en ons moeten afvragen: ‘Hoe kan het dat we daar mis zijn gegaan?’” En: „We hadden er achteraf met deskundigen van buiten naar moeten kijken, met statistici, methodologen. Mensen die anders naar redeneringen kijken, naar waarheidsvinding. Er moet een stelselmatige blinde vlek zijn geweest, misschien totaal onverwijtbaar voor die rechters, maar in zekere zin des te erger, want dan kan het morgen weer gebeuren. Als het met zes vakmensen (rechtbank & hof, red.) en álle tijd zo knallend misgaat – dat is heel zorgelijk.”

Die zorg deel ik. En dat is na het boek van Derksen niet minder geworden, eerder meer. De weinige dwalingen die ‘het systeem’ erkent en corrigeert, zijn eigenlijk nooit aanleiding voor echt zelfonderzoek. Die buitenstaanders worden nog steeds niet toegelaten – ze schrijven af en toe een boek, vanaf de zijlijn. De machine gaat door. Morgen kan het weer gebeuren.

Auteur is juridisch redacteur, commentator. T @folkertjensma