‘Bestaan, echt bestaan, vervult je met ontzag’

Poëzie Het boek Mijn heldere afgrond over geloven, poëzie en sterven raakt lezers diep. Auteur Christian Wiman sprak in Amsterdam met Marjoleine de Vos en andere lezers.

We denken nogal eens dat het leven aan intensiteit zal winnen, dat we het belang ervan veel duidelijker zullen zien, als we oog in oog met de dood zullen staan. In zijn boek Mijn heldere afgrond schrijft de Amerikaanse dichter Christian Wiman dat hij dat ook dacht. Tot op zijn 39ste verjaardag een ongeneeslijke en agressieve vorm van beenmergkanker bij hem wordt geconstateerd. Hij schrijft: „Vanaf het moment dat ik vernam dat ik kanker had (-) werd de wereld helemaal niet geïntensiveerd, ze werd zonneklaar gedempt. Ik kan nog navoelen hoe ver weg alles leek – de mensen op straat buiten het raam, de boeken in de kast, mijn vrouw die naar me glimlachte voor ik het ging vertellen. (-) Op een zeker moment besefte ik dat, al mijn literaire gepraat over hoe treffend en prikkelend sterfelijkheid inwerkt op de directe ervaring ten spijt, mijn levensvreugde altijd goeddeels het gevolg was geweest van de onbewuste aanname dat het nooit zou ophouden.”

Zijn boek draagt de ondertitel ‘Overpeinzingen van een moderne gelovige’. Het ‘moderne’ van deze gelovige, zit er waarschijnlijk in dat hij zijn geloof niet als een leer met vastomlijnde waarheden beschouwt, maar juist onophoudelijk twijfelt. Niet zozeer aan een leer, maar aan zijn geloof. Wiman komt uit Texas, uit een milieu waarin het geloof zo volstrekt vanzelfsprekend was dat hij nooit op het idee was gekomen dat het er níet zou kunnen zijn. Toch raakt hij ervan af als hij opgroeit en zich helemaal in de poëzie begeeft. Hij wordt een gewaardeerd dichter en was jarenlang hoofdredacteur van het blad Poetry. Maar op een gegeven moment in zijn leven, kort nadat hij de vrouw heeft ontmoet die nu zijn echtgenote is, merkt hij dat hij soms weer bidt, dat hij weer verlangt naar geloof. Maar niet naar dat van vroeger.

Geloven is een lastig woord. Want wat bedoelt iemand ermee, waar gelooft hij dan in. Het antwoord ‘in God’ verheldert eigenlijk niets. Misschien is geloven in Wimans geval wel ongeveer: ja zeggen tegen het leven. Hoe het er ook uitziet. Hij schrijft: „Geloof is: ontdekken dat je, in het diepst van je ziel, in het hart van wie je bent, bewogen wordt om voor het leven dankbaar te zijn.”

Zijn boek veroorzaakte een stille sensatie. In Trouw vergeleek Willem Jan Otten, die het vertaalde, het met Pascals Pensées. Het wordt in tal van leesclubs gelezen, er werden al snel herdrukken opgelegd. Wim Brands schreef: „Als ik zeg dat het lezen en herlezen van Mijn heldere afgrond mij niet onberoerd liet verzwijg ik wat er daadwerkelijk met mij gebeurde: Wiman bezorgde me met zijn boek over geloven, poëzie en sterven inzichten waarvan ik niet had durven vermoeden dat ze me ooit deelachtig zouden worden.”

Op een avond in De Balie in Amsterdam waar ik met Wiman sprak, kwamen jonge en oude lezers af, sommigen net als Brands diep getroffen door wat ze gelezen hadden. Eerder dat weekend had Wiman in Kampen, Utrecht en Den Haag over zijn boek gesproken, eveneens voor zaaltjes vol begerige en getroffen mensen.

Pijn maakt een eiland van je

Wimans boek is niet een gemakkelijk boek. Het is geen verslag van ziekte en het ‘gevecht’ daartegen, het bestaat voornamelijk uit gedachten in meestal niet heel lange notities. Tussen die gedachten in staan heel vaak (fragmenten van) gedichten, soms van Wiman zelf – die helpen bij het verhelderen van wat er aan moeilijk uitspreekbaars ónder de woorden leeft.

Natuurlijk komen in dit boek woorden als ziekenhuisgangen, wachtkamers, chemotherapie en behandeling voor, maar Wiman gaat daar niet echt op in, hij bericht er soms over. Wel schrijft hij over pijn, meer dan eens eigenlijk. Pijn is een niet te negeren verschrikking die soms alle woorden, alle houvast, en alle geloof wegbrandt.

„[Pijn] maakt een eiland van je. Je zit daar in je nietige, knekelachtige, beklemde zelf (-) en ziet toe hoe iedereen van wie je houdt, ook al wijken ze nog zo vastberaden niet van je zijde, van je wegdrijft, verder en verder. (-) ’s Morgens kom ik heel vroeg mijn bed uit en neem ik, na zoveel pijnstillers genomen te hebben als ik kan zonder dood te gaan, plaats op de bank en probeer mijzelf klein te maken door voorover te bukken en mijn enkels vast te houden. En ik bid. Niet tot God, trouwens, die dit eiland in de steek gelaten lijkt te hebben, maar tot de pijn. Dat zij, al is het maar eventjes, wat wil zakken, dat zij mij laat ademen. Dat zij niet nog erger wordt, maar ik weet dat zij dat wordt.”

Maar dat is niet waar het boek over gaat, al komen Wimans overwegingen vast en zeker ook voort uit zijn ervaring met pijn. Het boek gaat over het leven. „Hier zijn is heerlijk” schrijft Rilke in zijn Duineser Elegieën en Wiman citeert hem. Rilke richt zich ook tot mensen die een afschuwelijk leven hebben en zegt: „Want elk van u kende een uur, misschien minder,/ niet meer dan een met de maat van de tijd nauw meetbare tussenpoos, – / dat gij bestaan had. Alles had. De aders vervuld van bestaan had.”

Wiman is nu vijftig. Hij leeft nog steeds. Na een goed gelukte beenmergtransplantatie ongeveer vier jaar geleden is hij, in ieder geval voorlopig, („De kansen zijn groot dat er nog een of andere verdwaalde kwaadaardige cel rondzwemt die broedt op z’n terugkeer”) niet ziek meer.

Nu zegt hij: „Bestaan, echt bestaan, vervult je met ontzag. Dat ontzag doet je je dingen afvragen over de aanwezigheid van God. Iedereen is tot het uiterste in leven. Denk maar aan hoeveel je leven voor je betekent. Ook voor degenen van wie je zou denken dat het leven niet ‘heerlijk’ is. Ook die vinden in leven-zijn belangrijk, elke keer weer.”

Volgens Wiman komt poëzie nog vóór geloof. „Je moet eerst inspiratie hebben, je moet je eerst iets afvragen, voor je zelfs maar op het idee komt van God. Waarom zou je het anders over God hebben. Daar zie ik dan niet de zin van in”, zegt hij. „Het is poëzie die maakt dat je je tot God wendt.”

Er is natuurlijk ook poëzie die dat helemaal niet doet, zeg ik. Wiman trekt zijn wenkbrauwen op en vraagt half grappig, half ernstig: „Oh ja? Volgens sommige essayisten, George Steiner bijvoorbeeld is dat niet zo. Die laat dat ook gelden voor de roman trouwens: je stelt je een andere wereld voor. Dat is het begin van religie.”

Boom vol bewegend blad

We spreken over hoe een gedicht er soms ineens ís, als het ware niet gemaakt maar gewoon geboren. Soms, zegt hij, is de muziek van het gedicht, het ritme, een vermoeden van klank, er eerder dan de woorden. Als hij voorleest kun je dat begrijpen – Wimans poëzie lijkt redelijk cerebraal, hij is een bewerende, denkende dichter, maar als hij leest verandert dat gedenk in muziek die meesleept en betovert, al voor de betekenis doordringt.

Zo is het nu eenmaal met poëzie, zegt Wiman. Hij houdt van T.S. Eliot die de veelgeciteerde zin schreef: „Poetry can communicate before it is understood.”

Wat de poëzie zegt los van haar betoverende vorm is eigenlijk geen vraag. Want poëzie ‘communiceert’ nu juist dóór die vorm. Wiman heeft een gedicht geschreven waarin hij beschrijft hoe hij, – „Incurable and unbelieving/ in any truth but the truth of grieving” („Opgegeven, ik, en geloofde niet/ in waarheid behalve in verdriet”) – door het raam kijkt naar een boom vol bewegend blad dat als het ware de boom opneemt en naar de hemel vliegt. „Natuurlijk wist ik dat de blaren vogels waren./ Natuurlijk stond de boom nog daar,/ waar hij al was en blijven zou.” Dat beeld, van die hemelwaarts vliegende boom, schonk hem vreugde.

Ofschoon het brein ook bomen

met overmaat van leven vol kan dromen –

daar lijkt het nu getuige van –

toch is dat leven niet uit hem ontstaan.

En dat was waar geluk zijn aanvang nam.

Hij schreef het gedicht in een nogal deplorabele stemming, ‘halfbewust taalspel’ uit angst, leegheid en verdriet. En wat hij schreef schonk hém iets, „het explodeerde in geluk”, het vormde de ervaring in plaats van dat het die weergaf. Want er was helemaal geen boom, die er ‘natuurlijk’ nog stond en ‘natuurlijk’ vol zat met vogels. Er waren woorden. Maar de vreugde was er wel. „And that is where the joy came in.”

In één keer heeft hij het opgeschreven zegt hij. Met rijm en al, met vogels, met hemelwaarts visioen, alles. En het gedicht, met zijn lichte ritme, versnellend naar het eind en dan inhoudend om tot de conclusie te geraken: „that life is not the life of men” biedt ook de lezer het beeld van de vliegende boom en de overtuiging dat er, hoewel er niets buitenaards gebeurde, toch meer is te ervaren dan eenvoudigweg een boom die ergens staat. Of dat geloof is? Dat doet er misschien niet zo toe. Het was een beeld dat hem hielp om te leven én om zijn mogelijke sterven te aanvaarden.

Het oude leven nieuw gezien

Misschien is Mijn heldere afgrond ook wel een soort ars moriendi – hoe kun je sterven. En dat heeft uiteraard alles te maken met hoe we leven tot het zover is.

Essayist en dichter Joost Baars citeerde in de Balie zijn favoriete zin uit Wimans boek:

„Goed sterven betekent (-) niet alleen onze verschrikkingen en smart aanvaarden, maar ook: de schrikbarende gaten die we achterlaten in de levens van anderen; en tegelijkertijd betekent goed sterven, zelfs voor de atheïst, geloven dat er een manier is om het leven in te sterven, veeleer dan simpelweg het leven uit; dat er een vorm van overleven is, mogelijk gemaakt door liefde.”

Baars, die Derrida citerend, zegt: „Ik word terecht voor een atheïst gehouden”, begreep die zin ten volle toen hij aan het bed zat van zijn vrouw die plotseling een hartaanval had gekregen en van wie hij niet wist of ze nog jaren, dagen of misschien nog maar uren te leven had: daar „starend in de ‘afgrond’ van haar mogelijke verdwijnen, kon ik ineens het leven zien dat er op dat moment was, voor mijn ogen, volledig in staat om liefde te geven en te ontvangen, om betekenisvol te zijn, wat er ook zou gebeuren, hoe lang of kort het ook zou duren. Dat is wat voor mij ‘het leven in sterven’ betekent: het leven ontvangen dat je is gegeven, zelfs als je het los moet laten.”

Baars zei heel goed te kunnen begrijpen waarom men het christendom verwerpt om zijn imperialisme, zijn dogmatisme, zijn bigotterie. Maar het christendom viert ook de onmogelijkheid, zegt Baars, en dat hebben we nodig. En dichters als Wiman begeven zich in die onmogelijkheid.

Wat betekent het om je in de onmogelijkheid te begeven? Onmogelijke woorden gebruiken als ‘God’? Wiman is afwerend als ik hem vraag waarom hij dat woord gebruikt in een gedicht: „Omdat ik nu eenmaal in die traditie sta”, zegt hij. Het mooiste zou het wellicht zijn om het hele woord God niet nodig te hebben, veronderstelt hij, zoals Rilke die in een brief schreef dat alles naar zijn gevoel dusdanig vervuld werd van God dat het geen enkele zin meer had om over een daarvan afgezonderde ervaring van ‘God’ te spreken.

Zoiets lijkt Wiman ook te willen, maar zijn geloof overtuigt hem lang niet altijd voldoende. Al maakt hij wel kleine stapjes, die je volgens hem geen vooruitgang moet noemen. Hij schrijft: „Als iemands relatie tot het goddelijke radicaal verandert, en zijn leven en zijn geest zich openen op een manier die hij zich niet heeft kunnen voorstellen, dan is hij geneigd om over de verandering te denken in termen van vooruitgang – van een lager naar een hoger bewustzijn, of van een duistere wanhoop naar een verlichte vreugde. Dit is de eerste vergissing. De tweede is zijn onmiddellijke verlangen om anderen te verheffen. (-)”

Geloof is voor Wiman geen verlossend antwoord op alle vragen. Hoezeer hij daar soms ook naar verlangt: naar rust, naar ontspannen evenwicht. Alle dingen nieuw. „Maar geloof is geen nieuw leven in deze zin; het is het oude leven nieuw gezien.”

En dat is ook wat poëzie is.