Cultuur

Interview

Interview

Zoeken naar schoonheid tussen hemel en aarde

Marinus Boezem

In de Oude Kerk in Amsterdam laat de 82-jarige kunstenaar bezoekers zweven tussen hemel en aarde.

Het zal gaan zoals de kunstenaar het zegt: een keurig aangeklede piccolo staat naast een metalen bouwlift, een knop wordt ingedrukt en hop, daar glijd je, één, twee, drie, vijftien meter omhoog, tot je het gevoel hebt te zweven tussen hemel en aarde. Onderweg klinkt er een vreemd geruis: je hoort blaadjes van bomen ritselen, de wind speelt erdoorheen.

De lift strekt zich uit tot zijn maximale hoogte en nu lijkt het alsof je de gotische bovenramen van de Oude Kerk in Amsterdam – want daar ben je – kunt aanraken. Alles wat zich beneden op de kerkvloer afspeelt en wat je in vogelvlucht bekijkt – de buurtbewoners die op verzoek van de kunstenaar de plattegrond van de kerk borduren, de toeristen, kunstliefhebbers én de kunst – lijken totaal nietig. Aan de zuil voor je neus hangt een spiegel met een boodschap van de kunstenaar erop. Die blijft nog even geheim.

Foto Robert Glas

Marinus Boezem, Labyrinth (2016). Foto Robert Glas

De liftboy drukt weer op de knop en de metalen bak zet de daling in. Eenmaal beneden zal alles wat je ziet gekleurd worden door wat je daarboven hebt meegemaakt. Je gevoel voor perspectief, voor formaat, geluid en ook het gevoel van wie of wat je bent, zal veranderd zijn.

Waarmee is gezegd dat kunstenaar Marinus Boezem – oud van jaren, maar kwiek van lichaam en geest – nog steeds zijn naam waarmaakt als ‘medium ter bevordering van hernieuwde ervaringen’. Zo omschreef Boezem zichzelf vroeger, in 1968, toen hij zijn handtekening zette onder werken die zouden uitgroeien tot iconen van de conceptuele kunst.

Ik spreek Marinus Boezem (Leerdam, 1934) en zijn vrouw Maria-Rosa in hun huis in Middelburg, waar zes ateliers, het trappenhuis en een presentatieruimte gevuld zijn met werk uit de afgelopen zestig jaar. Aanleiding voor het gesprek is de tentoonstelling in de Oude Kerk, die is samengesteld door Oude Kerk-directeur Jacqueline Grandjean en curator Lorenzo Benedetti. In de Oude Kerk is een combinatie te zien van oud en fonkelnieuw werk, zoals die lift (Into the Air), de bordurende buurtbewoners (Gothic Gestures) en de geluidsinstallatie Transformation.

U behoort – samen met Ger van Elk, Jan Dibbets en Stanley Brouwn – tot de grondleggers van de conceptuele kunst in Nederland. U lichtte de oogleden van de Nederlanders op, heeft u weleens gezegd. Wat bedoelt u daarmee?

„Ik vond, net als Yves Klein, dat je als kunstenaar het kunstbegrip moest verruimen. Je hoeft niet per se een doek en een ezel te hebben om kunst te maken. Dat liet Klein schitterend zien toen hij eind jaren vijftig naakte modellen gebruikte als levende penselen. Het illusoire van schilderkunst, waarin je alles als illusie kunt laten zien, voelde voor mij als iets onwerkelijks. De tijd vroeg juist om iets mét de wereld te maken.”

U bent opgeleid als tekenaar en schilder. In 1960 besloot u de polder bij Asperen waar u woonde als ‘ready made’ tentoon te stellen. Was dat een logische stap?

„Ja, dat voelde heel natuurlijk. Ik ben begonnen als krullenjongen in de Glasfabriek in Leerdam. Daar tekende ik lullige dingen na. Elk kopje, kommetje, schoteltje moest voor de catalogus met de hand getekend. Ik kon dus heel precies technisch tekenen. Daarna ging ik naar de Vrije Academie in Den Haag, waar een liberaal elan hing.

„Ik – en ik niet alleen – wilde nieuwe beelden scheppen. Daar bedoel ik mee dat je zaken die niet tot de kunst gerekend werden, plotseling aanvaardbaar en bruikbaar maakte als kunst. Zoals de polder in Asperen, zakelijke weerkaarten, of het luchtruim boven Amsterdam waar ik eind jaren zestig met een straalvliegtuigje mijn naam liet schrijven. Zo’n hemel, zo’n polder is perfect. Niets wordt voorgeschoteld. Iedereen roept een illusie op in zijn eigen hoofd. En ik hoef er niet voor naar terpentijn te ruiken.

„In die zin ben ik een kleurloos kunstenaar. Daar wees Thierry Raspail me op toen ik in de jaren tachtig een grote overzichtstentoonstelling had in zijn Musée d’Art Moderne in Lyon. Mijn vrouw Maria-Rosa en ik waren al dagen aan het inrichten, toen Thierry binnenkwam en zei: ‘Dat werk moet je er maar uithalen. Dat detoneert.’ Het werk waar hij op wees, was het enige wat kleur had. Ik had het nooit zo beleefd, maar inderdaad: al mijn verdere werk was kleurloos.”

Waarom kiest u zo zelden voor kleur?

„Omdat ik in zekere zin een boekhouder ben. Het idee dat ik wil overdragen is voor mij het belangrijkste. Daarvoor zoek ik de kortste weg. Dus vallen er heel wat krullen en trullen af. En ook heel veel leuke kleurtjes – die zijn allemaal overbodig.”

Toch zijn grote inspiratiebronnen voor u de Renaissance en de gotiek. Dat zijn bepaald geen periodes waarin kunstenaars kleur meden.

„Klopt. Wat ik belangrijk aan de Renaissance vind, is de veranderende blik op de wereld: elkaar zien, elkaar aankijken. En de gedachte dat een beeltenis niet alleen in dienst hoeft te staan van politiek, van godsdienst of van welke ideologie dan ook, maar dat schoonheid ook op zichzelf kan bestaan.”

Motieven van belangrijke meesters uit de Renaissance komen geregeld terug in uw werk. Net als de plattegrond van de kathedraal in Reims. Die heeft u in tientallen werken verbeeld. U heeft haar letterlijk laten groeien bij Almere, u heeft haar als zaad op laten eten door vogels, u heeft haar geborduurd, getekend, in marmer gehouwen.

„Ik ben feitelijk op zoek naar pure schoonheid – en die pure schoonheid tref ik vooral in de symmetrische kathedraal van Reims. Ik gebruik de kathedraal niet omdat ik een bewonderaar ben van kathedralen. Nee, de gotische kathedraal is voor mij een logo, het begin van onze beschaving, een podium waarop ik verschijn en mijn interventies kan plegen. Het is een denkkader, een metafoor, een symbool voor culturele consensus. Moet je je voorstellen: overal in Europa gaat het omhoog. Gotiek gaat over verticaliteit.”

Uw werk gaat juist over tegenstellingen: vallen/vliegen, omhoog/laag, zwaar/licht – niet alles gaat voorwaarts, wordt beter of alleen maar hoger.

„Dingen zijn nooit in het perspectief van het ja of het nee te zien. Daarom verwerk ik de opwaartse kracht van de gotische Oude Kerk in tegenstellingen. Er zitten vrouwen op de vloer kruissteekjes te borduren terwijl je met de lift omhoog kunt. Dat is de dialectiek van het ja en het nee binnen één kunstwerk.”

Heeft de kathedraal ook een religieuze betekenis voor u?

„Ik ben katholiek opgevoed en vond het spektakel prachtig. Maar ik ben niet religieus. Ik vind het streven naar verlichting en transformatie mooi, al weet ik dat het altijd streven blijft. Dat probeer ik uit te drukken in mijn werk. Ik probeer de wereld buiten de wereld te bekijken. Ik ben geen deelnemer – nooit geweest ook. Als kind al niet. Ik stond altijd aan de rand van de kring, of liever gezegd: ik stond daarbuiten te kijken wat er gebeurt.”

Marinus Boezem. T/m 26 maart in De Oude Kerk, Oudekerksplein, Amsterdam. Inl: oudekerk.nl