Voorzieningen en openbare ruimte Nieuw-West in de knel door vele bouwprojecten

Het August Allebeplein in stadsdeel Nieuw-West. Bart Maat / ANP

Door de woningnood in Amsterdam ligt de nadruk te veel op het bouwen van woningen en te weinig op het verbeteren van voorzieningen en openbare ruimten. Hierdoor staat de ruimtelijke kwaliteit van Nieuw-West op het spel. Dat schrijven vijf experts in Nieuw-West: parkstad of stadswijk – de vernieuwing van de Westelijke Tuinsteden Amsterdam, dat vrijdag verschijnt bij uitgever Trancity.

Een aanzienlijk deel van de 50.000 woningen die in 2025 moeten zijn gebouwd (‘Koers 2025’), komt als het aan het college ligt in Nieuw-West, waar nog ruimte is. De woningen worden gebouwd door verschillende marktpartijen – ontwikkelaars, beleggers, corporaties – die, schrijven de auteurs, hun eigen, commerciële belang behartigen en niet in staat zijn „over de grenzen van het eigen bouwproject heen te kijken”. „De nadruk lijkt vooral te liggen op kwantiteit en snelle grondopbrengsten in plaats van kwaliteit.”

Daarom is het van belang dat een centrale partij de regie voert over de ontwikkeling van het gebied en zo het publieke belang bewaakt, zegt Wouter Veldhuis, stedenbouwkundige en auteur van het boek. „Straten, pleinen en parken worden dan sterker in plaats van zwakker. Daar is Nieuw-West bij gebaat, omdat het stadsdeel voor velen nu niet als een deel van de stad voelt.”

Minder oog voor anderen

Een stad met weinig openbare ruimten, zegt hij, leidt uiteindelijk tot een samenleving waarin minder oog is voor hoe anderen hun leven leiden, met intolerantie tot gevolg. In een aantal buurten in Nieuw-West zien de auteurs de voorziengen al afnemen.

Zo blijven die in Slotervaart, vooral in Overtoomse Veld, achter in vergelijking met Slotermeer en Osdorp. Het August Allebéplein is „versmald” tot winkelpassage, de bibliotheek is opgeheven. Rond het Staalmanplein worden winkels getransformeerd tot woningen. Ook het plan van corporaties om in de Delflandpleinbuurt duizenden studentenwoningen te bouwen, noemen de auteurs „te eenzijdig”.