Recensie

We waren democraten uit lafheid

Wat een feest om de zinnen te lezen van de Portugese Nobelprijskandidaat Lobo Antunes.

Kinderen in

Vrolijk gaat het er nooit aan toe in de boeken van de Portugese schrijver en psychiater António Lobo Antunes (1942). De koloniale oorlog in Angola waar hij als dienstplichtig arts ooggetuige van was, de verstikkende werkelijkheid van de Portugese bourgeoisie met haar wortels in de dictatuur van Salazar, de afstotelijkheid van menselijke verhoudingen: dat alles is ook weer aanwezig in Reis naar het einde, de elfde roman die in het Nederlands van hem verschijnt.

Dat gebeurt rijkelijk laat. Reis naar het einde behoort tot de vroegste werken uit het inmiddels meer dan dertig boeken omvattende oeuvre van Lobo Antunes: naast romans ook dichtbundels, brievenboeken en verzamelingen met zijn hoog geprezen columns. De roman verscheen in 1981, twee jaar na zijn shockerende debuut De judaskus, waarin het alter-ego van de auteur een nacht lang in toenemende dronkenschap zijn hart uitstort over de Angolese oorlog waaruit hij teruggekomen is.

Parasieten

Ook in Reis naar het einde is Lobo Antunes duidelijk te herkennen in de hoofdfiguur. Een man maakt per auto een lange rit door de Algarve, onderweg naar Lissabon, alleen met zijn gedachten en herinneringen. Gruwelijke beelden dringen zich aan hem op vanuit zijn legerjaren in Afrika. ‘We rotten weg van de parasieten, moeraskoorts, brak water en angst’ en soms moeten willekeurige inwoners dat ontgelden: ‘daarom overlaadden we hun borst, buik en dijen met gloeiende sigarettenpeuken, brandende lucifers en klonters hete as.’

Nog indringender dan die, uit andere boeken van Lobo Antunes al bekende, Afrika-beelden is in deze roman de afkeer van zijn eigen beroep als medicus en psychiater. De frustratie van de schrijver, die na zijn terugkeer uit Angola met aanvankelijk idealisme, geesteszieken dacht te gaan verzorgen, brandt – om te spreken met de voormalige psychiatrische patiënt Gerrit Achterberg – in dit boek ‘als schuim over de tafel’.

Bij Achterberg komen de geneesheren ‘samen ter conferentie/ en spreken zacht/ in gebroken talen, niet thuis te brengen.’ Bij Lobo Antunes ziet het er, aan de andere kant van de behandeltafel, niet heel anders uit: ze ‘fluisterden elkaar Freud toe en brachten honger, haat, lafheid, tevredenheid en hoop terug tot een leeg woordspelletje, een soort mat in drie zetten van de gevoelens: […] de mond aan het oor die sensueel de speekseldruppels van Oedipus kwijlt.’

Werd het er na de Anjerrevolutie (1974), die een eind maakte aan de koloniale oorlog en Portugal veranderde, beter op? Dat mocht je hopen, maar zowel in de psychiatrie als in de politiek zag Lobo Antunes zijn verwachtingen beschaamd. ‘We waren democraten uit lafheid’, zo laat hij zijn hoofdpersoon denken. ‘En lachten sarcastisch bij het horen van het woord ‘‘socialisme’’.’

In de kliniek ging het er al niet anders aan toe. ‘Meer tijd op het spreekuur, aandachtiger en zorgzamer observatie, een luisterend oor voor hun familie,’ beloven de artsen. ‘En onmiddellijk daarna vergaten ze hun beloften, omdat ze druk discussieerden over de laatste psychiatrische nieuwigheden uit Parijs, Londen, Chicago of New York.’

Ik weet niet of de psychiatrie zo’n aanval overleeft en of het met het politieke klimaat in Portugal werkelijk zo kommervol gesteld is. Maar ik weet ook niet of Lobo Antunes gelijk heeft. Zijn woede laat geen sprankje licht doorsijpelen, zijn gal verbittert alles wat hem onder de pen komt. Als auteur staat hem dat vrij. Sterker nog: het bepaalt de signatuur van zijn werk, onmiskenbaar in zijn grondeloze pessimisme. Maar ook in de stijl die zich door de opeenvolgende romans heen gaandeweg heeft ontwikkeld.

Geluidsmagiër

Steeds meer is Lobo Antunes de laatste jaren gaan schrijven als de geluidsmagiër van een klankdecor. Dialogen sloeg hij op de pagina’s aan scherven om hen als klankenflarden, zinsfragmenten en half-gearticuleerde uitroepen bij de lezer vooral akoestisch te laten aankomen. Hardop lezen: dat is wat je bij Lobo Antunes steeds meer moet gaan doen.

In deze vroege roman is de auteur nog lang niet zo ver. Zijn stijl is relatief traditioneel, al lopen de scènes wel al verwarrend door elkaar heen, met de gedachtensprongen die je van een getroebleerde hoofdpersoon nu eenmaal kunt verwachten.

De nu vertaalde, tweede roman van António Lobo Antunes (1942) is melancholiek van inhoud, maar stilistisch van een overweldigende rijkdom. Wat een feest ook voor de vertaler!

Meer dan op de klank is Lobo Antunes in Reis naar het einde nog op het beeld gericht. De overweldigende rijkdom aan metaforen, vergelijkingen en suggestieve beschrijvingen doet soms naar adem happen. Vanaf de tram die ‘met zijn vermoeide kalkoenheupen over het asfalt schommelt’ tot de bar ‘waar je de slangenhuid van valse vrolijkheid over een kruk hebt laten hangen’: het lezend oog krijgt er als kijkend oog maar niet genoeg van.

Wat een feest van een tekst moet dit voor de vertaler geweest zijn! En wat een feest is het Lobo Antunes’ duizelingwekkende kleuren, vormen en beeldassociaties in het Nederlands te zien schitteren en sprankelen! Nee, vrolijker wordt het er bij deze auteur allemaal niet op. Maar van zoveel melancholie zo’n verrukkelijk kijkspel maken: dat is het zegel van de literatuur.