Recensie

Voor verliezers ging de oorlog verder

Geweld na WO I

In veel landen binnen en buiten Europa betekende het einde van de Eerste Wereldoorlog niet het einde van het geweld. Integendeel.

Turkse soldaten bij Smyrna (Izmir) gedurende de Foto Topical Press Agency/Hulton Archive/Getty Images)

Kemal Atatürk, de stichter van het moderne, op seculiere leest geschoeide Turkije, was een voorbeeld voor Adolf Hitler. Met buitengewone belangstelling volgde de leider van de NSDAP in de jaren 1919-1923 de verrichtingen van generaal Kemal Mustafa die zich verzette tegen de opdeling van Turkije na de Eerste Wereldoorlog en met zijn troepen streed tegen een Griekse invasiemacht, schrijft de Duitse historicus Robert Gerwarth in het laatste hoofdstuk van De verslagenen.

Gerwarth (1976) begint zijn boek over de nasleep van de Eerste Wereldoorlog in de verslagen landen en de nieuwe natiestaten in Midden- en Oost-Europa met een beschrijving van de gebeurtenissen in Izmir na de Turkse overwinning. Izmir, oftewel Smyrna, waar zich vele Griekse vluchtelingen hadden verzameld, ging grotendeels in vlammen op en Turkse soldaten slachtten er 30.000 Grieken en Armeniërs af.

De Turkse overwinning leidde ten slotte in 1923 tot het Verdrag van Lausanne, dat de eerdere deling van Turkije grotendeels ongedaan maakte en voorzag in de ruil van in 1,2 miljoen in Turkije woonachtige christenen voor 400.000 moslims in Griekenland. ‘Hitler koesterde niet alleen bewondering voor Kemals onbuigzame verzet tegen de geallieerden’, schrijft Gerwarth die eerder onder meer Hitlers beul, de biografie van nazi-kopstuk Reinhard Heydrich (Boeken, 20.04.2012), schreef. ‘Maar hij probeerde ook zijn methode te imiteren om na een verpletterende nederlaag een radicaal seculiere, nationalistische en etnisch homogene natiestaat op te bouwen.’

Ook in de andere verslagen en nieuwe landen mondden politieke en etnische geschillen uit in geweld. In Duitsland en Hongarije gingen ultralinkse en ultrarechtse groeperingen elkaar te lijf met duizenden doden als gevolg. In Rusland volgde op de Oktoberrevolutie in 1917 zelfs een Burgeroorlog die meer Russische levens eiste dan de Eerste Wereldoorlog. In 1919 brak bovendien een oorlog uit tussen de Russische sovjetrepubliek en Polen, twee nieuwe staten die uit de puinhopen van de Habsburgse en Russische rijken waren voortgekomen. Hoewel veelal op nationale leest geschoeid, hadden deze nieuwe landen altijd etnische minderheden. Die kregen het onveranderlijk harder te verduren dan in het Habsburgse Rijk. Vooral de joden moesten het ontgelden.

Ook aan de gewelddadige opkomst van Mussolini’s fascisme in Italië, strikt genomen een van de winnaars van de Eerste Wereldoorlog, wijdt Gerwarth een hoofdstuk. Helaas schrijft hij over dit buitenbeentje net zo keurig en opsommerig als over de gecompliceerde en gewelddadige verwikkelingen in Bulgarije en andere ‘verslagenen’. Af en toe wisselt hij de droge beschrijvingen af met citaten uit kranten en dagboeken van ooggetuigen als Victor Klemperer, maar dit zijn er te weinig om van De verslagenen sprankelende geschiedenis te maken.

Ook Gerwarths conclusie, verwoord in de overdreven ondertitel Waarom de Eerste Wereldoorlog nooit is opgehouden 1917-1923, is te mager om de dorheid goed te maken. De opvatting dat de Eerste en Tweede Wereldoorlog eigenlijk één lange oorlog waren en het interbellum niet meer dan een ‘turbulente vredestijd’, is tenslotte al enige tijd gemeengoed onder historici. En in de ruime aandacht voor de verliezers van de oorlog en de ‘vergeten’ nieuwe staten in Midden- en Oost-Europa ging de Britse historicus Ian Kershaw hem voor in zijn vorig jaar verschenen meesterlijke De afdaling in de hel. Europa 1914-1949 (Boeken 30.10.2016).