Recensie

Vergeet dat lichtend kruis aan de hemel

Late Oudheid

Lange tijd had de laatste periode van de Late Oudheid een slechte reuk: het zou een periode van christendom en verval zijn. Daar valt nogal wat op af te dingen, zo schrijft een elegant stilist.

Foto GraphicaArts/Getty Images

Tot het laatste decennium van de vorige eeuw had de gemiddelde classicus weinig op met de laatste periode van de Klassieke Oudheid. Grof genomen duurde die van de late derde eeuw van onze jaartelling tot de zevende toen door de komst van de islam de Middellandse Zee van een druk vaarwater veranderde in een grens tussen twee werelden. Niet zo lang geleden geloofde men nog in het organische opkomst-bloei-verval-model om beschavingen te beschrijven. In dit model werd de Late Oudheid als een tijd van verval gezien; men weigerde dan ook de periode op zijn eigen merites te beschouwen, want die waren er niet.

Een ander struikelblok voor veel classici waren de christenen, die zeker in de vierde eeuw in tal en – voor sommigen – last waren toegenomen. Die toename begon tijdens het bewind van keizer Constantijn in het eerste kwart van de vierde eeuw. In de afgelopen decennia is in de geleerde wereld het inzicht gegroeid dat de Late Oudheid als een zelfstandige en belangwekkende periode moet worden beschouwd die een beter lot verdient dan het schouderophalen van vorige generaties. Per slot van rekening werd in deze tijd ook het fundament van de Europese geschiedenis gelegd.

De classicus Diederik Burgersdijk (1973) heeft in zijn studie De macht van de traditie Constantijns bewind onder de loep genomen, zich afvragend waar diens grote reputatie eigenlijk op berustte. Ter vergelijking heeft hij Augustus gekozen, de eerste Romeinse keizer, en dat niet ten onrechte omdat Constantijn de eerste christelijke keizer was en dus net als zijn illustere voorganger aan het begin stond van een nieuw hoofdstuk in de Romeinse geschiedenis.

Tradities

Het uitgangspunt voor Burgersdijks analyse ‘is de bestudering van de traditionele elementen, zodat de vernieuwende des te duidelijker worden. Daarnaast [...] is er nog de werking van verdichting, dat wil zeggen de vernieuwende elementen die buiten bemoeienis en zonder medeweten van Constantijn [...] achteraf zijn gecreëerd, waarin vooral de katholieke kerk creatief is geweest.’

Net als Augustus wilde Constantijn de stichter van een nieuw gouden tijdperk zijn, hij wilde hem daarin zelfs overtreffen. Het christendom kon daarbij behulpzaam zijn. Daarmee was de weg naar macht en invloed, waarvan de christenen later zo gretig gebruik zouden maken, nu ook voor hen open.

Burgersdijk toont dat ondanks de veranderde omstandigheden, de tradities waarmee de macht en de keizer zich manifesteerden door de eeuwen heen redelijk intact waren gebleven. Voorzichtig ontdoet hij daarvoor het oude beeld van Constantijn als vrome christen van de aankoeksels en fabeltjes om beter zicht te krijgen op zijn onderwerp. Zo blijkt dat het befaamde visioen, waarin Constantijn te midden van zijn soldaten een lichtend kruis of zoiets aan de hemel zou hebben gezien, nooit heeft plaatsgevonden, maar dat het stamt uit de koker van Eusebius, bisschop van Caesarea, spindoctor en ideoloog van het toenmalige christendom.

Het zo mogelijk nog beroemder Edict van Milaan, dat de christenen geloofsvrijheid beloofde, blijkt ook niet te hebben bestaan – ze hadden overigens al geloofsvrijheid. De vaak afgebeelde veldslag bij de Milvische brug in Rome heeft daar niet plaats gevonden. Een andere netelige kwestie is de ‘bekering’ van Constantijn. Burgersdijk weet aannemelijk te maken dat die van Paulus van Tarsus daarvoor model heeft gestaan. Deze werd destijds als door de bliksem getroffen bekeerd, maar over hoe Constantijn werkelijk tot het geloof is gekomen en wat hij precies heeft geloofd zwijgen de bronnen.

Burgersdijk is een zorgvuldig historicus, hij verkiest de ironie boven de sneer. Elegant stilist als hij is heeft hij ook plaats ingeruimd voor de Latijnse panegyrici, de beoefenaars van de lofrede, op hun best ook beoefenaren van de elegante formulering, maar meestal krullendraaiers en – niet zelden – verdraaiers, die in ellenlange redevoeringen monumenten voor hun keizer oprichtten. De vertalingen van hun teksten door Burgersdijk zijn soms onverwacht stroef en gymnasiaal.

Helaas ontbreekt ook een uitgebreide analyse van de toenmalige christenheid en haar talrijke, elkaar vaak tegensprekende standpunten die het bewind van Constantijn van de nodige context had kunnen voorzien. Dat is jammer, het had een nog beter boek opgeleverd. Ook het ontbreken van een register is een gemis. Desondanks mag het resultaat dat er nu ligt er ook zijn.

Driekwart eeuw na het bewind van Constantijn was de Antieke Wereld grondig veranderd. De christenen behoorden intussen tot de gevestigde orde, sterker nog, ze maakten er omstreeks 400 de dienst uit. De niet-christenen, die in de vierde eeuw geleidelijk hun meerderheid hadden zien verdampen, schikten zich. Toch bestond er in het dagelijks leven weinig vijandschap tussen beide groepen, de scherpe tegenstelling die ons tot op de dag van vandaag wordt voorgehouden, werd graag gepropageerd door de ideologen van de kerk en de kerkvaders, die niet zelden onverzoenlijk tegenover de oude wereld stonden en zich wild ergerden aan hun gelovigen, die zich daarin nog altijd thuis voelden. Ook nu nog wordt gemakshalve wel eens over het hoofd gezien dat het christendom een product van de Klassieke Oudheid was en daarmee innig verbonden, iets waar de scherpslijpers van de kerk geen vrede mee konden hebben.

Synesius van Cyrene

In deze gemengde cultuur leefde Synesius van Cyrene (ca. 370 - ca. 413). Hij is een product van deze wereld, trots op zijn afkomst, vertrouwd met de klassieke letteren en cultuur en zeer geïnteresseerd in filosofie, waarvoor hij in Alexandrië bij de destijds vermaarde, niet christelijke filosofe Hypatia in de leer ging. Hoewel hij nominaal christen was, heeft hij zich voor zover we kunnen nagaan niet laten voorschrijven wat hij moest geloven en lijkt hij geen compromissen met zijn overtuigingen te hebben gesloten.

Uit zijn werk, voornamelijk essays, brieven en poëzie, komt een niet altijd even orthodox amalgaam van denkbeelden te voorschijn, dat hem door de christelijke hoogwaardigheidsbekleders kennelijk niet erg kwalijk is genomen, aangezien ze hem tegen het eind van zijn leven na veel aandringen tot opperbisschop van zijn geboortestreek hebben weten te maken.

Synesius’ poëzie is nu door Piet Gerbrandy vertaald: lyrische hymnen waarin geloof, traditie en vooral filosofie samensmelten tot het persoonlijke ‘verslag’ van een geloofsbeleving. Nergens zijn de gedichten kwezelig of pedant, ze zijn steeds fris, soms op het naïeve af: ‘De Morgenster glimlachte blij’, schrijft hij bijvoorbeeld over de komst van Christus, ‘hij die de dag aankondigt / en de gouden Avondster ook, gesternte van Aphrodite. En de maan die haar hoorn van licht / vulde met stromen van vuur/ ging vooraan in de stoet / de nachtgoden onder haar hoede.’

Gerbrandy’s vertaling is prachtig en bewonderenswaardig en doet geen heilloze pogingen dicht bij het Grieks te blijven. Het is alleen jammer dat de brontekst die hij heeft gebruikt al enige jaren sinds de onderzoekingen van Idalgo Baldi als corrupt moet worden beschouwd. Echt ernstig is het niet, de lezer krijgt nog altijd een zeer fraai beeld van Synesius als dichter en dat is in deze vertaling zeer de moeite waard.