Poep

Georgina Verbaan

In Den Haag deed je vroeger niets anders dan geroutineerd over stront heen stappen. In de ochtendspits veranderden voetgangers met haast voor je ogen in honderden Gene Kelly’s die lichthartig tussen de dampende hopen poep door dansten. Maar ik herinner me nog goed hoe smerig en onaangeharkt ik Amsterdam vond toen ik er als kind eens een dagje op bezoek kwam. Dat is tegenwoordig wel anders. Houtwerk is geverfd, er zit echt glas in de meeste ramen, de hoeveelheid rondslingerende heroïne-naalden is aanzienlijk gedaald en vervangen door de wat propere lachgaspatronen, en hondenpoep wordt over het algemeen netjes van straat geschraapt met een zakje. Dat heeft wel een nadeel, vroeger kon je de drollen goed zien liggen, en dus ontwijken, nu zijn de fecaliën over de stoep uitgesmeerd en moet je er maar van uitgaan dat je door vele soorten Bonzo heen getrokken bent wanneer je thuiskomt, en dus snel je schoenen uitdoen. Natuurlijk ging het vroeger met de hopen kak ook weleens mis, en moest je op droge dagen zonder plassen water aan de gang met een stokje of een stukje krant. Dat is een beeld dat je bijna nooit meer ziet, kokhalzende mensen die met één arm tegen een lantarenpaal leunen en met de andere zachte schijt tussen het reliëf van hun schoenen vandaan peuteren. Ik begin een beetje giechelig te worden. Dat is wel jammer want ik wilde eigenlijk even klagen over die uitgesmeerde uitwerpselen en andere excrementen, zoals de klodders spuug en brokken opgediept slijm die vele toeristen overal menen te moeten neerkwakken. Maar een aanzienlijk deel van mijn persoonlijkheid is gestopt met rijpen na mijn vijfde. Zo zaten de man waar ik van houd en ik onlangs verkleed als volwassenen in een heel echt restaurant. All was well tot hij een toetje bestelde. Een chocolade toetje. Een mousse. Je moet vijf-jarigen ook geen flessen Condrieu te drinken geven, maar ik begon bij de aanblik van het bordje perfect opgemaakte stront met een blaadje munt erop danig te lachsnurken. Dat is een soort van lach dat zich achterin de neus in de buurt van de huig manifesteert en met een beetje pech dessertwijn door de neusgaten naar buiten perst. Ik had een beetje pech.

„Sorry” wist ik met moeite uit te brengen „Ik..” Ik liep paars aan.

„Ik weet wel wat jij wil doen hoor” zei de man kalm. „Jij wil een poepgrapje maken.”

Ik gierde het uit. „Nee! Echt niet! Wahahaa!”

Echte volwassenen keken om, de ober kwam vragen of alles naar wens was. Hij keek er ernstig bij. Zou hij hem zelf gemaakt hebben, vroeg ik mij af. En in gedachten zag ik hem zijn broek dichtknopen en een mooi muntblaadje uitzoeken. Nou ja, de man waar ik van houd, houdt ook nog van mij, heb ik de indruk. Dus het is goed afgelopen. God, ik zit al aan vierhonderdvijfenzeventig woorden. Wilde ik niet nog een punt maken in deze column? Even denken.. Oh ja: Het is onbehoorlijk om op straat te spugen. Hou daar mee op.