Recensie

Manhattan feest altijd heerlijk voort

Jay McInerney

Vertrouwd, vilein en bij vlagen gemakzuchtig; McInerney herneemt zijn favoriete yuppenkoppel. Zijn ironische, soms cynische toon en zijn gebruik van cliffhangers zijn doeltreffender dan ooit.

Updike had zijn Harry Angstrom, beter bekend als Rabbit. Richard Ford heeft zijn Frank Bascombe. En Jay McInerney (1955) heeft het echtpaar Russell en Corinne Calloway. Personages die genoemde schrijvers meer keren lieten terugkeren en die, elk op hun manier, de Amerikaanse geschiedenis vanuit een literair perspectief inkleuren. Immers: Updike positioneerde zijn Rabbit-romans keurig aan het eind van elk decennium, Ford schetste het leven van Bascombe steeds rondom een Amerikaanse feestdag. En McInerney kiest de periodes waarin hij het leven schetst van zijn favoriete yuppie-koppel (door hun omgeving gezien als gezegend met een ideaal huwelijk) iets willekeuriger, maar doet dat wel zorgvuldig tegen de achtergrond van een ingrijpende politieke of economische gebeurtenis.

Belangrijkste verschil is natuurlijk dat Updike en Ford hun helden nadrukkelijk in suburban dan wel provinciaal Amerika lieten rondlopen, terwijl McInerney’s speelveld onveranderlijk Manhattan blijft (met af en toe noodzakelijke uitstapjes naar The Hamptons, maar dat is demografisch gesproken een buitenwijk van dat eiland).

Prachtige, dierbare dagen is het derde deel van een drieluik dat begon met Brightness Falls (1992, gesitueerd rond de bankencrisis van 1987), en vervolgd werd met The Good Life (2006, maar vooral plaatsgrijpend in de nasleep van 9/11)

Obama

Dit nieuwe deel speelt zich (hoofdzakelijk) af in 2008, met de aanstaande verkiezing van Obama en een nieuwe, heftiger bankencrisis in zicht. De jaren tachtig spoken nog nadrukkelijk rond in de gesprekken en herinneringen van de hoofdpersonen, maar worden vooral als een duistere periode gezien van aids en roofmoorden. ‘We wisten toen niet dat het de jaren tachtig waren’, zegt een van de personages. ‘Dat kregen we pas ergens in 1987 te horen, en toen waren ze al bijna voorbij.’

Zo’n opmerking maakt het opvallend hoe het leven in dat dynamische stadsdeel, twee decennia later, desondanks in essentie hetzelfde is gebleven. De Calloways hebben het nog steeds druk, druk, druk met het geven van etentjes, het aflopen van fundraisers en boekpresentaties. Er wordt in hun omgeving nog steeds coke gesnoven, roekeloos met heel veel geld omgegaan en ook overspel hangt nog steeds nadrukkelijk in de lucht. En verder zal het de lezers van de vorige delen genoegen doen te zien dat Minky Rijstaefel (sic) nog steeds illustere feestjes geeft, zij het tegenwoordig ten bate van de Wildlife Society.

De persoonlijke en zakelijke problemen van de Calloways worden door dit alles heen goed gedoseerd. Dat Corinne niet de biologische moeder is van hun vroegwijze kinderen (iets wat al in het vorige deel duidelijk werd) wordt op dramatische manier aan het kroost onthuld. Een affaire legt opnieuw een bommetje onder hun huwelijkse bestaan. Russell staat aan het hoofd van een nieuwe, onafhankelijke uitgeverij, maar neemt twee desastreuze beslissingen die hem een schandaal en een financiële zeperd opleveren.

Via een van die twee beslissingen doet een veelbelovende auteur genaamd Jack Carson zijn intrede, die met zijn achtergrond wel heel ver van de socialites van Manhattan afstaat. Hij komt van het achterlijke, door crystal meth geteisterde platteland van Tennessee, en bevestigt ongewild Russells geloof dat ‘het echte Amerika zich ergens anders afspeelde […], dat de nationale literatuur over de sterke en zwijgzame mannen en vrouwen van de barre binnenlanden ging.’

Ondertussen blijft McInerney uitstekend in zijn beschrijvingen van het leven op Manhattan, ‘de stad der steden die hén nodig had’ als de vertegenwoordigers van de Kunst en Liefde. In een paar prachtige alinea’s laat hij het wisselen van de seizoenen in de stad zien, en zijn tekening van de totaal over the top-karakters die de feestjes bevolken is op een heerlijke manier vilein.

Zijn ironische, af en toe naar cynisme neigende toon is ook op andere plekken nog steeds uiterst prettig en zijn gebruik van cliffhangers is in dit deel doeltreffender dan ooit. Ook de manier waarop hij de foodies en wijnkenners (en daarmee impliciet zichzelf) belachelijk maakt is soms kostelijk. Maar evenals in de vorige delen sluipt de gemakzucht wel eens zijn proza binnen. ‘Gedachten drijven af en toe’ nog wel eens naar het een of ander af, en Corinne’s reactie op de ontdekking van haar affaire zou in een Bouquet-reeks niet misstaan. Maar wat overeind blijft is dat McInerney met dit boek opnieuw een onderhoudende zedenschets heeft afgeleverd.