Cultuur

Interview

Interview

Merlijn Doomernik

‘Ik heb een liberaal hoofd en een religieus hart’

Ronit Palache (32) groeide op in een traditioneel-joods gezin. In een interviewbundel schrijft ze over de taboes in de gesloten geloofsgemeenschap, zoals het buitensluiten van ‘vaderjoden’ en homo’s. „Ik lig niet meer wakker van kritiek uit de groep.”

Mijn vader zong de liedjes
die zijn moeder vroeger zong
later voor mij, die ze half verstond.

Ik zing dezelfde woorden weer
heimwee fladdert in mijn keel
heimwee naar wat ik heb.

Zing voor mijn kinderen
wat ik zelf niet versta
zodat zij later, later?
Voor de rozen verwelkt zijn
drinken wij al het bloemenwater.

Verdrietige intieme taal
het spijt me dat je in dit hoofd
verschrompelde.
Het heeft je niet meer nodig
maar het mist je wel.
(door: Judith Herzberg)

Ronit Palache koos als motto van haar boek Ontroerende onzin. De joodse identiteit in het Nederland van nu een gedicht van Judith Herzberg. Er klinkt een verlangenconflict in door. Net als veel van de joden die Palache tussen 2013 en 2016 voor het Nieuw Israelietisch Weekblad interviewde – en wier verhalen nu voor een breder publiek gebundeld zijn – heeft zij een ambivalente houding tegenover het jodendom.

We ontmoeten elkaar in een Amsterdams café waar smooth jazz door de boxen schalt. Palache (32) is stipt op tijd, maar nog druk verwikkeld in een gesprek met een collega – ze is hoofd publiciteit en foreign rights manager bij uitgeverij Prometheus. „Zo”, zegt zij, haar lange donkere haren naar achteren werpend. „Ik ben zo ver, hoor.”

In de Nederlands joodse gemeenschap is de naam ‘Palache’ een begrip. Zij vertelt dat zij vaak door geloofsgenoten wordt aangesproken: ben jij familie van? Meestal doelen mensen op haar voorvader Samuel. In de zeventiende eeuw was Samuel Pallache (de naam werd toen nog met dubbel ‘l’ gespeld) als geboren Marokkaan ambassadeur in Nederland voor sultan Muley Zaydan. „Een kameleontisch figuur”, noemt Palache hem. „Hij kon met joden, christenen en moslims overweg.”

Haar overgrootvader Juda Lion Palache was hoogleraar semitische talen aan de UvA. Na zijn ontslag, in 1941, werd hij lid van de Joodse Raad. Drie jaar later volgde deportatie naar Theresienstadt – en van daaruit Auschwitz. Juda Palache werd vermoord, maar zijn naam leeft voort in een bibliotheek voor Hebreeuwse studieboeken: het Juda Palache instituut.

Alle voorvaderen van Palache (haar vader Bram incluis) zaten in het bestuur van de Portugees-Israëlitische gemeente in Amsterdam. Zij leidden de diensten in de orthodoxe synagoge aan het Mr. Visserplein. Een gebouw dat volgens Palache symbool staat voor eeuwenoude tradities, melodieën en overlevering.

Als kind kwam zij wekelijks in het zeventiende-eeuwserijksmonument. Vanaf de balustrade – waar de vrouwen zitten – keek Palache naar de hoge hoeden van de mannen beneden. Op Grote Verzoendag sliep zij er zelfs. „De hele dag staat in het teken van verzoening met God, bidden, het meezingen met gebeden”, schrijft zij in het voorwoord van Ontroerende onzin. „Gebeden waarin ik niet geloof.”

U schrijft dat het jodendom voor u weinig te maken heeft met geloven in God. Wat joods-zijn wél betekent, hoopte u door die interviews uit te vinden.

„Ik heb soms moeite mij op de mooie kanten van het jodendom te concentreren: het samen rouwen na de dood van een geliefde, voor elkaar klaarstaan in crises, de gastvrijheid tegenover onbekende geloofsgenoten, waar ook ter wereld. Die mooie kanten worden overschaduwd door een aantal ingewikkelde kwesties binnen de Nederlands-joodse gemeenschap.”

Het zelfreinigend vermogen van de gesloten groep is beperkt

Ze vertelt dat ze traditioneel-joods is opgevoed. Haar ouders voerden een kosjere huishouding. Ze doorliep de lagere school Rosj Pina en de middelbare school Maimonides. Werd lid van jeugdvereniging Bne Akiwa en sportvereniging Maccabi tennis. Omdat haar ouders tolerante mensen zijn, kon zij alles vragen en bespreken. Maar gaandeweg besefte zij ook hoe uitzonderlijk dat is. „Ik ken veel joden die alleen met joden omgaan. Door hun segregatie zijn ze wereldvreemd en beschouwen ze kritiek op de Israëlische politiek als verraad. Het zelfreinigend vermogen van deze gesloten groep is beperkt. Dat is beklemmend voor iemand die graag nadenkt.”

Merkte u door de interviews dat u daarin niet alleen staat?

Ze knikt. „In zo’n kleine gemeenschap is de sociale controle groot. Er wordt veel geroddeld. Joden met alleen een joodse vader [de zogenaamde ‘vaderjoden’, red.] zijn onderwerp van gesprek. Ze zouden er niet bij horen, omdat het jodendom wordt doorgegeven via de vrouwelijke bloedlijn. Orthodoxe joden die trouwen met een niet-jood worden met de nek aangekeken. En wat te denken van de homo’s in die vrome gezinnen? Als ik dáár aan denk word ik zo verdrietig…”

Is de sfeer in liberaal-joodse kring niet minder beklemmend?

„Zeker, al kun je ook daar niet zo maar lid worden als je alleen een joodse vader hebt. Dan moet je eerst ‘bevestigd’ worden, en dat is voor veel vaderjoden een pijnlijk proces. Tegen dat soort starre regels verzet ik mij. Ik voel mij erg betrokken bij de Portugees-Israëlitische gemeente, maar kan geen lid worden van een organisatie die vaderjoden uitsluit of homo’s niet toestaat als stel lid te worden.”

Heeft u nooit gedacht: ik stap over naar de liberalen?

„Nee. Ik dank God dat er liberale joden zijn, maar het is niets voor mij. Door mijn opvoeding zal ik nooit wennen aan vrouwen met een keppel. Ik heb een liberaal hoofd en een religieus hart. Dat maakt dat ik in Nederland nergens aansluiting vind. Hooguit twee keer per jaar kom ik in de snoge. Het gebouw heeft een bijzondere lading. Al die generaties Palaches die er kwamen …het maakt dat ik mij nog steeds betrokken voel.”

Nederland telt 40.000 tot 50.000 Joden – het exacte aantal hangt deels af van de definitie ‘joods’: wel of geen mensen met alleen een joodse vader. Die definitie-kwestie zorgt voor veel onbegrip, blijkt uit het boek. De 36-jarige Chaim Moszkowicz zegt bijvoorbeeld: ‘Als kind al besefte ik dat mijn opa anders was dan anderen, met dat vreselijke nummer op zijn arm. Ik voelde haarfijn aan dat het niet iets alledaags was. En nog iedere keer als ik hem opzoek word ik daarmee opnieuw geconfronteerd. Die oorlog roept vragen op: ik geloof wel in íets – al kan ik dat moeilijk onder woorden brengen – maar hoe heeft die oorlog dan kunnen plaatsvinden? Daarom snap ik ook niet dat orthodoxe joden vaak zo neerkijken op liberalen of mensen met alleen een joodse vader; we hebben al zo veel mensen verloren.’

Pijnlijk.

„Ja. Ik had mij nooit in de tragiek van de vaderjoden verdiept. De gesprekken die ik met hen voerde voor het boek, waren zeer emotioneel. Soms hadden mensen hun levensverhaal ter voorbereiding opgeschreven. Ze zagen tegen het gesprek op. Sliepen slecht. Huilden veel.”

Er klinkt ook woede in de gesprekken door. Een van huis uit orthodoxe man wiens kinderen bij joodse clubjes werden geweerd omdat zijn vrouw niet joods is, zegt: ‘Het woord vaderjood hadden de Duitsers ook kunnen verzinnen.’

„Ik kan mij die reactie goed voorstellen. Sommige mensen kwamen er door de oorlog achter dat ze joods zijn. Ze overleefden concentratiekampen. En dan horen ze na de oorlog dat hun kinderen niet joods zijn omdat ze geen joodse moeder hebben? Daar word je woedend van.”

Een van de geïnterviewden vertelt dat hij tijdens een conflict met een orthodox-joodse rabbijn riep: ‘Als dit het jodendom is, kan je Jehova in je reet steken’.

„Voor veel mensen staat het jodendom synoniem voor veiligheid. Worden ze buiten de groep geplaatst, dan valt het fundament onder hun leven vandaan. Het is geen franje, het is hun core.”

Welke groep voelt zich het meest buitengesloten?

„Ik vermoed de orthodox-joodse homoseksuelen. Voor mijn opleiding journalistiek heb ik een documentaire over homoseksualiteit en religie gemaakt. Van een van de geïnterviewden, een lesbische joodse vrouw, mocht de film alleen aan de examinatoren worden vertoond, omdat het thema zo gevoelig ligt in orthodox-joodse kring. De vrouw was zelf orthodox, had een groot gezin, maar vertelde dat ze het liefst met een vrouw samen zou leven. Omdat in de Torah staat dat vrouwen niet als man en vrouw ‘tegen elkaar mogen aanwrijven’, houdt zij haar gevoelens verborgen.”

Hoe spoorde u haar op?

„Ik vermoedde dat zij lesbisch was en heb haar gebeld. We hebben een waanzinnig gesprek gevoerd. Ze holde zelfs naar beneden om een grote stapel lesbische porno tevoorschijn te toveren uit een geheime kast.”

Was u niet verbaasd dat mensen zo openhartig over taboe-kwesties spraken?

„Ik vermoed dat de geïnterviewden zich niet door mij veroordeeld voelden. Ik begrijp hun dilemma’s. Ik háát taboes. En ik ben niet bang een statement te maken. Door de verhalen van vaderjoden in het boek op te nemen, maakte ik duidelijk: zij horen er bij.”

In een column voor het Nieuw Israelietisch Weekblad nam u het op voor vaderjoden. Hoe waren de reacties?

„Mensen keken ervan op dat ik, kind van twee joodse ouders die nooit voor erkenning hoefde te vechten, mij als een leeuwin op die vaderjoden stortte. Het werd gewaardeerd dat ik mijn bek opentrok.”

Kritiek bleef uit?

„Er klonk vooral verbazing en opluchting in de reacties door: eindelijk iemand die zegt waar het op staat. Of: ik heb mij nooit gerealiseerd dat vaderjoden zo lijden.”

Toch wist u vooraf niet hoe het zou uitpakken. U begaf zich op glad ijs.

„Ik lig niet meer wakker van kritiek uit de groep. Dat ben ik ontgroeid. De verhalen die ik hoorde maakten mij soms boos en verdrietig. Ik dacht: wat we elkaar aandoen met dat kleine clubje!”

Dat door de oorlog gedecimeerde clubje.

„Dat speelt zeker mee. Ik heb mij vaak afgevraagd of de joodse gemeenschap in Nederland zonder die oorlog ook zo verscheurd zou zijn geweest. Er zijn voor de oorlog nooit op deze manier getuigenissen van Nederlandse joden opgenomen. En toch denk ik dat joden voor de oorlog niet zo met hun identiteit bezig waren. Je was joods. Punt. Die oorlog heeft een donkere sluier over alles heen gelegd. Voor bijna geen van de geïnterviewden is het jodendom uitsluitend een positieve aangelegenheid. Het gaat heel veel over vervolging, angst, antisemitisme en schuldgevoel.”

In het voorwoord schrijft Abram de Swaam dat u ‘een knellend vraagstuk rond de joodse identiteit’ praktisch hebt opgelost door voor uw interviews als criterium te hanteren: wie bereid is met mij te praten kan als joods worden beschouwd.

„Natuurlijk ging ik niet checken of mensen echt wel een joodse vader of moeder hadden. De mensen die zich na een oproep in het NIW meldden, kende ik van naam. Zo groot is die groep niet. Maar in de meeste gevallen ging ik zelf op onderzoek uit. Dan zag ik op Facebook een joodse naam en schreef ik: zou u het leuk vinden mee te doen aan mijn serie?”

Uit het boek blijkt dat de oorlog diep doorwerkt in de levens van Nederlandse Joden. ‘Bij wie kan ik onderduiken’, blijkt een actuele vraag.

„Laat ik vooropstellen dat ik het niet goed vind mensen op die manier in te delen. De oorlog is voorbij. Toch zijn er momenten dat de verhoudingen op scherp komen te staan. Tijdens de Gaza-oorlog in 2014 werd ik als Jood ook constant als ambassadeur van Israël op het matje geroepen. Dat voelt onaangenaam. Ik had de neiging te roepen: ‘Hallo, laat me met rust, ik vind Netanyahu ook een lul!’ Van Joden wordt verwacht dat zij zich uitspreken tegen de Israëlische politiek. Tel daar het stijgende antisemitisme bij op, en je begrijpt beter waarom mensen over onderduiken beginnen. Joden worden niet voor niets ‘de kanarie in de kolenmijn’ genoemd. Antisemitisme is een graadmeter voor hoe een samenleving zich tot minderheden verhoudt. Als het antisemitisme stijgt, stijgt de islamofobie ook.”

Columnist Paul Brill zegt in het boek over antisemitisme: ‘We zitten niet in alarmfase rood, maar de toestand is aanzienlijk zorgwekkender dan tien, vijftien jaar geleden.’

„Ik ben geneigd te zeggen: laat je niet leiden door angst, want angst is in de eerste plaats emotie. Als mensen emotioneel zijn moet je ze niet rationeel benaderen. Angst moet geuit kunnen worden zonder dat een gesprek meteen wordt gegijzeld. Sommige angsten zijn terecht. Iedere Jood krijgt weleens een vreemde opmerking naar zijn hoofd, ook van weldenkende mensen. Zo wees ooit iemand naar mijn gouden ketting met de vraag: is dat een joodse erfenis? Antisemitisch zou ik het niet noemen. Bizar wel.”

Vertegenwoordigers van de joodse gemeente brengen de oorlog al snel ter sprake tijdens debatten. Dat wekt irritatie op.

„Daar komen ze weer met hun holocaustkaart, wordt er dan gezegd. Ik vind nuance belangrijk bij ingewikkelde kwesties. Zo voorkom je dat niemand meer luistert als het écht nodig is. En als je alles met de oorlog vergelijkt ontneem je mensen ook het recht op hun éigen, andere, leed.”

Het gevaar is ook dat niet-joden een vertekend beeld krijgen van ‘de’ joodse gemeenschap.

„Dé joodse gemeenschap bestaat niet, schrijf ik in het voorwoord van mijn boek. In werkelijkheid kent het jodendom, zoals elke andere religie, een grote diversiteit: van orthodox tot seculier, van cultureel tot traditioneel, van zionistisch tot sceptisch. Al die mensen komen aan het woord in mijn boek. Maar het is waar dat de professionele joden die in talkshows opdraven, niet namens de hele geloofsgemeenschap spreken. Heel veel joden hebben daar moeite mee.”

Op de vraag of zij een joodse Don Quichot is, begint Palache uitbundig te lachen. „Soms vraag ik mij inderdaad af waar ik mee bezig ben”, zegt zij. „Dit gevecht ga ik nooit winnen. Maar ik vind het belangrijk dat mensen autonoom denken en zich niet laten beknotten door wat religieuze dogma’s voorschrijven.”

Wat hoopt u met uw boek te bereiken?

„Dat de joodse gemeenschap kritisch naar zichzelf gaat kijken. En dat mensen zien dat het jodendom toch best een bijzondere aangelegenheid is. Ingewikkeld, maar ook buitengewoon.”

Joden zouden zichzelf vaker de spiegel moeten voorhouden?

„Het zou helpen als we ons meer richten op persoonlijke tragiek dan politiek. Niet de vraag stellen waarom mensen er niet bij horen, maar waarom wél. Dat zou een hoop leed besparen.”