Interview

‘Mannen doen maar wat, als het om kleding gaat’

Lunchinterview De hoofdredacteur van Esquire, Arno Kantelberg, schreef een stijlboek voor de man. „Slechte smaak is beter dan helemaal geen smaak.”

Arno Kantelberg: 'Ik ben geen stijl-Talibaan' Foto Frank Ruiter / NRC

Qua kleding verkeert de Nederlandse man in een vacuüm. Ja echt. Arno Kantelberg (48) zegt het en hij is hoofdredacteur van de Nederlandse Esquire, een mannenmagazine over stijl en mode. Hij heeft een verklaring voor het modeprobleem van mannen. Lang waren de kledingcodes voor iedereen gelijk. Een jongen droeg een korte broek en pet. Werd hij volwassen, dan kreeg hij een pak, een das en een hoed. Maar vanaf de jaren zestig kwamen alle ongeschreven regels te vervallen. Sindsdien kan alles. Spijkerbroeken, losse blazers, trainingsjacks, sandalen, afritsbroeken. De klad zit erin. Mannen doen maar wat. In de praktijk betekent dat dat ze comfort verkiezen boven smaak en gemak boven pasvorm.

Nu de vader als mentor op het gebied van kleding is weggevallen, is de Nederlandse jongen als een lichtmatroos die uitvaart zonder stuurman. Maar daar is Arno Kantelberg en hij springt in het gat dat hij zelf constateerde. Zijn boek Man op z’n best mag gerust een stijlbijbel heten. Voor elk deel van de mannengarderobe geeft hij advies. Van jas tot singlet, van hoofddeksel tot sneaker, tot wat te doen met neushaar en een wijkende haarlijn.

De Bosscheboltheorie

Laat ons nu de man die het allemaal zo goed zegt te weten eens afpellen. Van boven tot onder en van buiten naar binnen. Hou daarbij in gedachten wat de Engelse auteur Oscar Wilde zei: alleen oppervlakkige mensen laten hun oordeel niet bepalen door uiterlijkheden. Wilde’s uitspraak is een van de vele motto’s in Kantelbergs boek.

Zijn jas gaat bij binnenkomst in restaurant De Lobby in Amsterdam meteen uit en aan de kapstok. Het is een camelkleurig, knielang exemplaar. Zo op het oog van wol. Eens zien wat hierover in de stijlbijbel staat. Een parka is het zeker niet, een trenchcoat ook niet, geen Mackintosh die, in tegenstelling tot de trenchcoat maar één rij knopen heeft, geen epauletten en ook geen ceintuur. Het is geen waxjas, geen Montycoat en al helemaal geen houtje-touwtjejas. Ja, als het makkelijk was, had hij geen boek van vierhonderd pagina’s hoeven schrijven. Ik kom uit op wat de Engelsen een Crombie noemen. In Nederland noemen we dat een mantel, of gewoon een (over)jas.

Arno Kantelberg gaat aan tafel zitten. Een eerste scan van zijn bovenlijf om te checken of hij zich aan zijn eigen Bosscheboltheorie houdt, die voorschrijft dat de buitenste kledinglaag het donkerst is en naar binnen toe steeds lichter wordt. Camelkleurig jasje, wit overhemd met de bovenste twee knoopjes open, daaronder een grijze coltrui. Niet helemaal volgens voorschrift, maar goed, regels zijn er om vanaf te wijken. Wat óók had gekund, zegt hij met een zacht-Brabantse tongval, is een overhemd ónder de coltrui. „De boordjes piepen dan net boven de col uit.” In zijn boek noemt hij die variant ‘guitig’.

‘Nike draag je tot je veertiende, daarna Adidas’

Dan opent hij zijn jasje en geeft me de tijd het op me in te laten werken. De binnenkant ervan oogt… best rommelig. „Unconstructed”, zegt hij. Geen voering. Dat verraadt kwaliteit en vakmanschap. De kleermaker kan geen lijm of losse draadjes verhullen, het jasje krijgt zijn vorm alleen door de buitenstof en dient dus perfect gesneden te worden. Het merklabel kan ik nog nèt lezen voor hij de pand van de jas weer recht strijkt met zijn hand. The Gigi, een Italiaans merk. De prijs voor een jasje: tussen de 700 en 900 euro. Hij kocht het in Milaan, gewoon van het rek, maar het lijkt alsof het op maat is gemaakt en het „zit als een pyjama”. Kleding is als literatuur, zegt Arno Kantelberg. „Gelaagdheid geeft diepte.” Zijn diepste laag is aan mijn oog onttrokken, dus vraag ik ernaar. „Een hemd”, zegt hij. „Nee, geen T-shirt, dat zit te propperig bij de oksels en de biceps.” Absorbeert wel transpiratievocht, werp ik tegen. Hij zweet nauwelijks, zegt hij. Ook niet als hij in het weekend de coach is van zijn basketballende zoons van 18 en 15 jaar. In het weekend gaat hij overigens gekleed in een Adidas-trainingspak. „Nike draag je tot je veertiende. Daarna Adidas.”

Nog even over het hemd dat hij consequent overhemd noemt. In bepaalde kringen, zeg ik, is het gebruik van het woord overhemd uit den boze, omdat het een ónderhemd veronderstelt. En een onderhemd, zo is de gedachte, dat dragen alleen arbeiders. Kantelberg: „Dat zal mijn onbewuste ode zijn aan de arbeidersklasse waar ik uit stam.” Zo is hij ook „dol” op buttondown overhemden, waarbij de boorden aan elke kant met een knoopje vastzitten. Zeker in Engeland had buttondown een workingclass imago en was om die reden weer favoriet bij subculturen waar Kantelberg sympathie voor heeft. „The Mods, ska, The New Romantics, punk.” Jeugdculturen die tussen de jaren zestig en tachtig ontstonden, en zich onderling onderscheidden met muziek (The Jam, The Specials,Duran Duran) en strenge kledingcodes. „Geruite hemden, knoopjes dicht tot waar de kin begint, en een parka om het pak tegen regen te beschermen.” Niet Milaan, niet Parijs, maar het Londen uit die jaren is de inspiratiebron voor Kantelbergs kledingsmaak. „Helaas leven we nu in een tijd waarin de Amerikaanse hiphopstijl zich als een schandvlek uitbreidt over de wereld.”

Poetsen bij de snackbar

Kantelberg komt uit Gemert, een Brabants boerendorp. Zoon van een bijstandsmoeder. Hij was drie toen zijn vader overleed, zijn broer ietsje ouder. „Mijn moeder voedde ons alleen op. Voor wat extra’s poetste ze bij de eigenaren van de plaatselijke snackbar. Waar ter wereld ik ook ben, ik zal altijd de schoonmaakster vriendelijk groeten – allemaal collega’s van mijn moeder.” Zijn broer heeft niet, zoals hij, de stap naar studie en stad gezet. „Mijn broer is machinebankwerker. Ik was the local boy that made good. De hele straat was trots dat ik ging studeren.” Ineens meen ik een overduidelijk patroon te zien in zijn leven: bij gebrek aan een vader die hem kon leren hoe een man zich verzorgt en kleedt, heeft hij dat zichzelf geleerd. Al die kennis geeft hij nu door aan mannen die, net als hij, niet geleerd hebben hoe het moet. Dat doet hij in zijn blad Esquire (oplage: 31.000) en in zijn wekelijkse rubriek in de Volkskrant, waarin hij de outfits van bekende mannen becommentarieert.

Kantelberg schudt zijn hoofd: „Ik had liever van mijn vader geleerd wat goed vaderschap inhoudt.” Wat stijl en smaak betreft kon hij zichzelf wel redden. „Hoewel ik tussen mijn twintigste en dertigste een dor interbellum heb gekend.” Hij wordt niet graag herinnerd aan hoe hij eruit zag toen hij op zijn 21ste als journalist ging werken bij HP/DeTijd. „Ik deed mijn best er ouder uit te zien.” Dus kocht hij zijn jasjes met bijpassend gilet groot, vormeloos en het liefst in een onopvallende kleur. Misschien is hij daarom in zijn beoordeling van andere mannen zelden vals of vilein. Hij moppert mild als de manchetten weer eens niet onder de mouwen vandaan piepen, als de smoking groen is in plaats van zwart of als het jasje op de groei is gekocht. Maar een slechte smaak is altijd nog beter dan helemaal geen smaak. „Ik ben geen stijl-Talibaan.”

Witte onderbroek

Met hem is het qua kleding pas de laatste jaren goed gekomen. Links en rechts heeft hij zijn stijl bij elkaar „gezwaluwd”. Veel kijkt hij af bij andere mannen. Presentator en schrijver Wilfried de Jong, jazzmuzikant Benjamin Herman, dichter Jules Deelder. Deelder is de enige man die twee keer door Esquire werd uitgeroepen tot best geklede man. De winnaar van 2016 is Achmed Akkabi, acteur.

En dan nog. Arno Kantelberg is bij lange na niet zo’n estheet als Jort Kelder of Ivo van Regteren Altena, zij schreven begin jaren negentig een vademecum voor de vermogende man. Zo’n luxe garderobe als zij bepleiten, is zelfs Kantelberg te gortig. „Ik besteed niet krankzinnig veel geld aan kleren.” Hij is geen „horloge-fetisjist”. Hij heeft weliswaar een Rolex om zijn pols, maar dat is zijn enige exemplaar. Om zijn middelvinger een zegelring zonder zegel. „Die was van mijn vader. Het is nog net geen ringetje uit de snoepautomaat.” Voor zijn kinderen – twee jongens, één meisje – vindt hij H&M en Hema goed genoeg. „Ik kreeg mijn kleren ook van de markt, en viel ik een gat in mijn broek, dan naaide mijn moeder er een appeltje op.” Voor zijn vrouw winkelt hij bij H&M, & Other Stories of Zara. Ja, dat hoor ik goed, knikt hij. „Ik koop haar kleren. Dat is beter voor het team. En ik maak haar mooier dan ze zichzelf maakt.”

Voordeel van zijn baan als lifestylejournalist is dat hij nog weleens wat in de schoot geworpen krijgt. De broek en schoenen die hij vandaag draagt, bijvoorbeeld. Ik duik onder de tafel voor inspectie. Ik zie een donkerblauwe spijkerbroek. „Een Levis 501. Een hoog model, met de broekband bijna tot over mijn navel. Dat zit lekker.” Geen skinny?, vraag ik. Vrijwel alle genomineerden voor Best Geklede Man droegen dit jaar hun broeken strak om de benen. „Nee, nee, in die valkuil ben ik niet getrapt.” Bovendien, zie onder zo’n broek maar eens een fatsoenlijke onderbroek te dragen. In zijn geval een niet te strak zittend exemplaar van HOM. Geen boxer, geen „ballenknijper”, maar iets ertussenin. Over de kleur van ondergoed kan hij kort zijn: zwart of wit. Hij geeft de voorkeur aan wit. Zijn schoenen, ten slotte, zijn halfhoog, vrij stevig en geveterd.

Zo, alle zichtbare onderdelen van zijn outfit zijn behandeld. De lichte lunch genuttigd (hij: een tartaartje van zeebaars met een glaasje kraanwater). Tijd om op te stappen. Leesbril af en in de brillenkoker. Jas losjes over de schouders. Op naar de volgende afspraak. Zijn zeswekelijkse knipbeurt bij de kapper.