Column

Hattricks

Afgelopen woensdag nam Geert Wilders het woord in de rechtbank voor een fabuleus slotpleidooi in het proces dat tegen hem is aangespannen wegens het aanzetten tot haat en discriminatie en daarin maakte hij een paar interessante punten. Hij zei het belachelijk te vinden dat hem wordt verweten dat hij gebruik maakt van slogans en retoriek. „Alsof je een voetballer verwijt een hattrick te willen scoren.” En hij zei dat de rechtbank wordt gebruikt voor een ‘politieke afrekening’ met een politicus ‘die men in de Tweede Kamer niet aankan’.

Je zou geneigd zijn hem daarin gewoon gelijk te geven. Een politicus die scoort met oneliners die opschudding veroorzaken, is een politicus die zijn vak verstaat. En de volksvertegenwoordigers van de andere partijen in het parlement zijn niet goed genoeg om zijn retoriek met even effectieve slogans te neutraliseren. Geen speld tussen te krijgen.

Behalve dan dat aan Wilders’ argumentatie een bepaald concept van het politieke bedrijf ten grondslag ligt dat je wel degelijk zou kunnen bekritiseren. Het is de politiek van nu, dat is waar, en twijfelen aan haar uitgangspunten is net zoiets als het winterweer bekritiseren, maar er bestaat nog een ander soort politiek dan het spel in de arena van de publieke opinie dat uitsluitend draait om scoren. Het mag misschien als een anachronisme klinken, maar de politiek zou ook kunnen draaien om inhoudelijke argumenten en het coöperatieve uitgangspunt dat de wil om anderen te overtuigen gepaard moet gaan met de bereidheid om zich door anderen te laten overtuigen. De reden waarom de Tweede Kamer Wilders niet aankan, is dat hij een dergelijk inhoudelijk debat altijd uit de weg gaat en zich beperkt tot het scoren van hattricks. Dat kun je een voetballer niet verwijten, maar een politicus die zijn verantwoordelijkheid serieus neemt, zou het niet als zijn primaire taak moeten beschouwen om te scoren.

Maar Wilders laat zich niet overtuigen, want hij beschouwt zichzelf als ‘de Verkozene’ die is geroepen om een heilige oorlog te voeren tegen ‘de elite’, zoals ‘de Gezalfde’ afrekende met de Farizeeërs en ‘de Verhevene’ gezonden was om de wereld zijn Pax Romana te schenken. Een dergelijke uitverkiezing tot het monopolie op het gelijk laat zich niet rijmen met de democratie. Als hij consequent was, zou hij moeten pleiten voor de afschaffing van de democratie en de ambitie moeten uitspreken het land te besturen zoals hij zijn partij bestiert.

In plaats daarvan beschuldigt hij de rechtbank ervan de democratie om zeep te helpen. Het is de klassieke retoriek van Berlusconi. De rechters zijn niet gekozen door het volk en hij wel. Handhaving van de wet is een aanslag op de rechtsstaat omdat de wil van het volk soeverein is en omdat de aangeklaagde uitsluitend aan het volk verantwoording verschuldigd wenst te zijn. Wilders zei het zo: als hij namens miljoenen Nederlanders Marokkanen beledigt, is het een belediging aan miljoenen Nederlanders om hem te beschuldigen van belediging. „Als u dat toch doet, blaast u de rechtsstaat op.”

In het wereldbeeld van ‘de Verkozene’ is de rechtsstaat de bevestiging van zijn gelijk en erkenning van het feit dat hij vanwege zijn gelijk boven de wet is verheven. Hij ziet zichzelf als Leider van een ‘wereldwijde democratische revolte’ tegen de elite en het volk zal zich volgens hem herinneren ‘wie er aan de goede kant van de geschiedenis stond.’ Maar natuurlijk mogen we hem geen fascist noemen. Hij zou ons aanklagen wegens belediging.

is schrijver en dichter