Recensie

Een zwarte Turk, sultan of potentaat?

Turkije Eenmaal van school af overwoog president Erdogan een carrière als profvoetballer. Hij koos voor een ‘serieus’ vak. Drie boeken dalen af in de geschiedenis en proberen vooral de man te doorgronden.

De mislukte couppoging van deze zomer heeft Turkije op zijn kop gezet, maar het is nog altijd een raadsel wie er nu precies achter zat. De regering wijst naar spiritueel leider Fethullah Gülen, maar heeft tot nu toe geen overtuigende bewijzen geleverd. Desondanks ziet opeens ook eurocommissaris Frans Timmermans aanwijzingen voor Gülens betrokkenheid, maar zonder die expliciet te benoemen.

In ieder geval heeft de Turkse regering de noodtoestand dankbaar aangegrepen. Zonder reguliere rechtsgang zijn er ruim honderdduizend politieagenten, legerofficieren, rechters en docenten ontslagen. Tienduizenden zitten nog altijd vast. Ook de politieke oppositie wordt aangepakt: in november zijn twaalf parlementsleden van de HDP, de belangrijkste oppositiepartij, vastgezet, evenals enkele van hun advocaten. In het Koerdische zuidoosten zijn bijna honderd gekozen HDP-burgemeesters ontslagen en vervangen door van regeringswege aangewezen gouverneurs. De EU heeft zijn ‘grote bezorgdheid’ uitgesproken, maar onderneemt geen stappen, bang als men is dat de schandalige vluchtelingendeal met Turkije alsnog mislukt.

Wat is er precies gaande in Turkije? Staat het land aan de vooravond van een nieuwe internationale isolatie, of herleeft met Erdogan (1954) de glorie van de Ottomaanse sultans? Over die vraag buigen zich drie boeken: de Belg Dirk Rochtus in Turkije. De terugkeer van de sultan; de Pool Witold Szablowski in De moordenaar uit de abrikozenstad en de Fransen Nicolas Cheviron en Jean-François Pérouse in Erdogan. De nieuwe vader van Turkije?

Als je de advertenties en spandoeken in de Turkse straten mag geloven is het antwoord duidelijk. Die vergelijken Erdogan met sultan Mehmet II, die in 1453 Constantinopel veroverde. De suggestie is dat Erdogan de glorie van de Ottomaanse sultans laat herleven, en zijn voorganger Mustafa Kemal (1881-1938), de grondlegger van de moderne republiek Turkije, niet alleen evenaart maar zelfs voorbijstreeft.

Witte Turken

Kemal, later omgedoopt in Atatürk (‘Vader der Turken’), schafte alles af wat Turkije met het Ottomaans-islamitische verleden verbond: sultanaat, kalifaat, soefi-ordes, koranscholen, het Arabische schrift en traditionele kledij. Het zogeheten kemalisme, lange tijd de officiële staatsideologie, was een revolutionair en anti-religieus Turks nationalisme, dat het volk niet zozeer beschouwde als de basis van zijn legitimiteit, maar als een achterlijke massa die diende te worden gemoderniseerd, indien nodig met geweld.

Lange tijd leek dit project succesvol; maar er waren altijd tegenkrachten, die zich vanaf de jaren zestig steeds zichtbaarder in de Turkse politiek manifesteerden. Aanvankelijk uitten die tegenkrachten zich vooral als een linkse, marxistische oppositie. Wat later begonnen ook islamisten en Koerden zich te roeren. Maar vooral vanaf de jaren tachtig zie je de gestage economische en politieke opkomst van de zogenoemde ‘zwarte Turken’, de conservatieve provinciale bevolkingsgroepen, die door de grootsteedse ‘witte Turken’ in het westen van het land werden geminacht en politiek gemarginaliseerd.

De enorme demografische en economische veranderingen die het land in de afgelopen decennia heeft doorgemaakt worden weerspiegeld in een dramatische, en dikwijls gewelddadige, politieke geschiedenis. In Turkije. De terugkeer van de sultan probeert de politicoloog Dirk Rochtus die geschiedenis te bevatten. Dit is een herziening van een boek dat in 2011 verscheen als Turbulent Turkije, en dat is hier en daar te merken. Rochtus beschrijft uitvoerig de laat-Ottomaanse periode, maar belangrijke recente ontwikkelingen, zoals de Turkse betrokkenheid in de oorlog in Syrië, komen er bekaaid vanaf. Voor een eerste overzicht van de elkaar snel opvolgende gebeurtenissen is Rochtus’ boek zeker nuttig, maar doordat het vooral is gebaseerd op Europese krantenberichten blijft het wat aan de politieke oppervlakte hangen.

Onder die oppervlakte zit natuurlijk van alles, zoals de economie, waarover Rochtus weinig te melden heeft, en de zogeheten ‘diepe staat’ of derin devlet, een alliantie van veiligheidspersoneel, politici en leden van de georganiseerde misdaad, waarover Rochtus vrijwel zwijgt. Ook krijg je bij Rochtus geen duidelijk beeld van de complexe en razendsnel veranderende Turkse samenleving, die niet alleen uiteenvalt in witte en zwarte Turken, maar ook in stadsbewoners en dorpelingen en in allerlei etnische en sektarische groepen.

Rijzende ster

Wie meer inzicht in die complexiteiten wil krijgen, kan terecht in De moordenaar uit de abrikozenstad, een bundeling reportages en interviews van Witold Szablowski, een rijzende ster in de Poolse journalistiek. Ook Szablowksi’s boek is oorspronkelijk in 2011 verschenen en voor deze editie flink uitgebreid. Pools-Turkse betrekkingen hebben zijn speciale aandacht. De titelreportage gaat over Mehmet Ali Agca, die in 1981 probeerde paus Johannes Paulus II, Pool van geboorte, te vermoorden. Ook wijdt Szablowski een aandoenlijk hoofdstuk aan de Poolse wortels van Nazim Hikmet, de grootste Turkse dichter van de twintigste eeuw.

In zijn zwakste momenten vervalt Szablowski, net als Rochtus, in gemakkelijke generalisaties over ‘de’ Turken, of in clichés over Turkije als ‘brug tussen oost en west’. Maar op zijn beste momenten weet hij adembenemend te schrijven over uiteenlopende zaken als Turkse soapseries en pornofilms, de homoscene in Istanbul, eerwraak, tot prostitutie gedwongen vrouwen, en de smokkelindustrie rond bootvluchtelingen.

Aan Erdogan, sinds 2014 president, wijdt hij een apart hoofdstuk; maar daarin slaagt hij er niet helemaal in door de mythen rondom de president heen te prikken. Die mythen zijn inmiddels talrijk. Volgens de hagiografieën heeft Erdogan in 2014 persoonlijk een man die van de Bosporusbrug wilde springen van zijn zelfmoordplannen afgebracht. Volgens tegenstanders lijdt hij al jaren aan kanker of epilepsie.

In hun biografie Erdogan. De nieuwe vader van Turkije? doen Cheviron en Pérouse een heldhaftige poging om de mythen te scheiden van de feiten. Beide auteurs, respectievelijk journalist en geograaf, hebben een lange staat van dienst in Turkije. Hun boek is als enige van de drie gebaseerd op een imposant aantal Turks- talige bronnen.

Cheviron en Pérouse belichten uitvoerig Erdogans ideologische en spirituele bronnen. Dat zijn vooral conservatieve critici van het kemalisme en moderne afstammelingen van de Naksjibendi-soefi-orde. Erdogan heeft zich dikwijls uitgesproken tegen abortus en homoseksualiteit, maar dat weerhield hem er niet van om vrouwen zonder hoofddoek voor zijn campagnes in te zetten, en – althans in zijn jongere jaren – actief te werven in kroegen en bordelen. Ook heeft hij er geen problemen mee om samen met de transseksueel Bülent Ersoy, één van beroemdste zangeressen in Turkije, op de foto te gaan.

Erdogan heeft zichzelf, met enige trots, een ‘zwarte Turk’ genoemd: hij presenteert zich graag als een kabadayi of ‘vrije jongen’ uit een Istanbulse volkswijk, die straatarm is opgegroeid en uit het niets omhoog is geklommen, en desondanks heel gewoon is gebleven. Mogelijk zijn die verhalen over zijn armoedige jeugd enigszins aangedikt. Cheviron en Pérouse maken duidelijk dat Erdogans familie niet tot de allerarmsten behoorde, dat hij naar één van de belangrijkste religieuze middelbare scholen van het land ging, en zich al vroeg bewoog in invloedrijke islamistische netwerken.

Even overwoog hij een carrière als profvoetballer, maar zijn strenge en opvliegende vader wilde dat hij een echt vak zou leren. Als student werd hij actief in de islamistische jeugdbeweging. Daardoor trok hij al gauw de aandacht van Necmettin Erbakan, leider van de islamistische Refah- of Welvaartspartij. Gesteund door Erbakan klom Erdogan gestaag omhoog; tegelijkertijd had hij lucratieve nevenactiviteiten als zakenman. In 1994 werd hij gekozen tot burgemeester van Istanbul. In die rol maakte hij zich geliefd door verbeteringen in de armenzorg, de stadsreiniging en het openbaar vervoer.

Gevangenis

In 1999 belandde Erdogan voor korte tijd in de gevangenis wegens zijn islamistische uitlatingen. Daar radicaliseerde hij niet, maar begon, naar eigen zeggen, juist een gematigder koers te varen. In 2001 richtte hij samen met Abdullah Gül en Bülent Arinç de Adalet ve Kalkinma Partisi (‘Partij van gerechtigheid en ontwikkeling’) op. In de verkiezingen van 2002 kreeg de AKP maar liefst 34 procent van de stemmen; kort daarop werd Erdogan premier.

Voortvarend werd een begin gemaakt met het doorvoeren van economische hervormingen, zoals die al door de technocraat Kemal Dervisj waren voorgesteld. Die hervormingen brachten Turkije een razendsnel toenemende welvaart, en Erdogan brachten ze een enorme populariteit. Daarnaast deed de AKP-regering aanvankelijk veel om civiele rechten en vrijheden te verbeteren, de macht van het leger in te perken en de diepe staat te bestrijden. Ook zocht ze toenadering tot de EU, maakte ze verzoenende gebaren naar Armenië, en zette ze symbolische, maar belangrijke stappen naar een oplossing van de Koerdische kwestie.

Op een zeker moment is het misgegaan. Volgens Cheviron en Pérouse zijn het aanhoudende electorale succes en zijn groeiende persoonlijke macht Erdogan vanaf 2010 steeds meer naar het hoofd gestegen. Geleidelijk aan verschoof ook zijn aandacht van de werkende massa’s naar de Turkse big business. Zodoende konden zijn verwanten en vrienden zich schaamteloos verrijken. Ook viel het Turkse buitenlandse beleid in duigen door de Arabische lente.

De Syrische president Assad was aanvankelijk een persoonlijke vriend, maar vanaf 2011 werd Erdogan een van zijn bitterste vijanden – tot hij in de zomer van 2016 een nieuwe deal met Rusland sloot. In binnen- en buitenland verloor Erdogan aan prestige door de massale, keihard neergeslagen demonstraties rond het Gezi park, dichtbij het Taksimplein, in 2013. Bij de verkiezingen van juni 2015 verloor de AKP voor het eerst sinds 2003 weer stemmen.

Prompt liet Erdogan de Koerdische kwestie opnieuw escaleren tot een verwoestende oorlog. Bij een nieuwe verkiezingsronde, in november 2015, kreeg de AKP net niet de helft van de stemmen. Het was wel genoeg om weer in haar eentje te kunnen regeren.

Erdogans onmiskenbare populariteit heeft ook een populistische keerzijde: hij ziet zichzelf als de enige legitieme vertegenwoordiger van het volk, en schildert alle tegenstanders en oppositie-figuren af als verraders, samenzweerders of terroristen. Wordt hij gedreven door persoonlijke grillen, door politiek opportunisme of door de zorg de economische belangen van zijn naasten te beschermen tegen juridische vervolging?

Grandeur

Uiteindelijk lossen ook Cheviron en Pérouse het raadsel niet op. Ondanks zijn grillige wendingen, betogen ze, heeft hij veel positiefs bereikt. Hij belichaamt de politieke emancipatie van de ‘zwarte Turken’, die decennialang door de kemalisten waren gemarginaliseerd. Onder hem heeft deze bevolkingsgroep zijn koopkracht met een factor drie zien toenemen. Ook is Erdogan verder tegemoet gekomen aan Armeense en Koerdische grieven dan enige voorganger – al is ook dat per saldo nog niet zo heel erg ver.

Zal Turkije onder Erdogan uitgroeien tot een grootmacht van hernieuwde imperiale grandeur? Dat valt te betwijfelen. De economische vooruitzichten zijn niet onverdeeld gunstig, in de regio heeft Erdogan danig aan prestige ingeboet, en politiek gezien zwabbert Turkije tussen Amerika en Rusland. Binnenslands lijkt Erdogan vooralsnog oppermachtig te zijn, maar mogelijk is ook die stabiliteit slechts schijn. Overal wordt nu capabel of gekozen personeel vervangen door loyale, dikwijls incompetente dienaren. Daarbij zijn zelfs Erdogans vroegere medestanders, onder wie Abdullah Gül, Bülent Arinç en voormalig premier Ahmet Davutoglu, genadeloos aan de kant geschoven.

Hoe lang zal de meerderheid die niet op Erdogan heeft gestemd zich stilhouden? Juist nu Erdogan zichzelf als de nieuwe ‘Vader der Turken’ presenteert, concluderen Cheviron en Pérouse, gedraagt hij zich minder vaderlijk en minzamer tegenover zijn volk dan ooit.