Dit is vrije kunst die niet hoeft te pleasen

De kunstenaars op de Rijksakademie voor Beeldende Kunsten openen hun ateliers voor het publiek.

Foto Olivier Middendorp

Natuurlijk is het dit weekeinde feest als de 46 jong getalenteerde kunstenaars op de Amsterdamse Rijksakademie hun ateliers openen. Bierdoppen mogen vliegen, muziek klinkt, bergen met troep zijn naar vlieringen versleept. Duizenden kunstliefhebbers, professionals en buurtbewoners, zullen zich de komende dagen weer door het gangen- en trappenstelsel van de meest prestigieuze opleiding voor beeldende kunst in Nederland wurmen, op zoek naar hét talent voor de toekomst.

De lijst met internationaal vermaarde alumni van de Rijksakademie is lang. Het aantal tentoonstellingen waar ex-deelnemers van de Rijks alleen al op dit ogenblik aan deelnemen beloopt een kleine honderd, in Nederland, maar ook Amerika, Chili, Canada, Zuid-Korea. Maar, zo wil directeur Els van Odijk daags voor de opening beklemtonen, er is ook een zeer zorgelijke kant te melden. De Rijksakademie zag de vorige Kunstenplanperiode haar subsidie met de helft afnemen. De helft van het personeel is ontslagen, de receptie is opgeheven en er is een miljoen euro gezocht ‘in de markt’.

Maar voor de komende periode dreigt, als het aan cultuurminister Jet Bussemaker ligt, weer een nieuwe bezuiniging van vijf ton. Mocht die doorgaan (de Tweede Kamer stemt onder andere daarover op 8 december), dan weet ook Van Odijk niet meer hoe het verder moet. De bibliotheek, de kantine en een werkplaats zullen dan sluiten. „Maar dan nog haal ik die vijf ton niet”, aldus Van Odijk.

In alle vrijheid experimenteren

Het is dus zaak om de trom te roeren. Een rondgang door de ruimtes binnen en buiten de ateliers laat opnieuw zien dat deze kunst alleen gemaakt kan worden doordat niet in de eerste plaats aan de markt, niet aan sponsors hoeft te worden gedacht. Hier wordt niemand gepleased. Ieder die de loodzware selecties van de Rijksakademie heeft gepasseerd, kan in alle vrijheid experimenteren – met soms meer en soms minder resultaat.

Hoogtepunten zijn er opnieuw – zowel minimaal als uitbundig, zowel in performance, film als multimediaal. Monica Al Qadiri uit Koeweit verbouwde haar atelier tot een schatkamer, waar zes 3D-geprinte boorkoppen doen alsof parelvissers ze hebben opgedoken. Boven, op een grote zolder, ontvoert de Franse Pauline Curnier Jardin je naar een extatisch massaspektakel op Sicilië, alleen door middel van film en een aantal simpele opblaasbare objecten.

De Pakistaanse Basir Mahmood toont twee filmwerken. In het beste, Monument of arrival and return, gebeurt zowel weinig als veel. Ga zitten, kijk de negen oogstrelende minuten uit, en kijk opnieuw. Laat je daarna pas van je voeten blazen door het pal ernaast gelegen toverkabinet van de Duitse Funda Gül Özcan.

Onder de Nederlandse deelnemers springen de consequent goede filmmaker Inge Meijer, de neven Sander Breure en Witte van Hulzen met hun choreografieën op het Utrechtse Centraal Station, Juliaan Andeweg en Matthijs Munnik eruit. Munnik wordt zeker de publiekslieveling met zijn loopbrug (springplank?) richting oneindige kleur. Munnik laat zien dat een atelierruimte elke illusie kan oproepen, mits je in vrijheid kunt bewegen, denken, en daarna gewoon aan de slag kan gaan.