Column

Chador

CULRoosmalen 1

Karima Rahmani van de werkgroep ‘Blijf van mijn Niqaab’ woonde woensdag het debat in de Tweede Kamer bij over het verbod op de gezichtsbedekkende kleding, het zogenoemde ‘boerkaverbod’. Na afloop vroeg ze aan een NOS-verslaggever: „Kent u iemand die door een nikab-dragende vrouw is aangevallen?”

Onbekend maakte volgens Rahmani onbemind en angstig.

„Alleen al een simpel ‘goedendag’ kan veel opleveren.”

Zelf had ik in de tram weleens contact met een vrouw in een chador (alles bedekt behalve het gezicht) omdat we dan samen in de twee vierkante meter stonden die ze in het openbaar vervoer hebben gereserveerd voor kinderwagens.

Ze was geboren als Judith, maar woonde onder een nieuwe naam in een flat in Diemen en sleepte altijd een meisje met zich mee. Ze leek me in alles niet het ideale voorbeeld van ‘eigen keuze’, eerder een slachtoffer van verliefd geworden op en getrouwd met de verkeerde man.

Dat baseerde ik op de afgetrapte buggy, de wallen onder de ogen van moeder en dochter en de treurige blik. Hoe leuk was het leven met een man met een baard die niet wil dat je je boodschappen doet in Winkelcentrum Diemerplein? Niet leuk, zo te zien, maar misschien was het in die flat in Diemen wel een oase van plastic speelgoed en trok ze die lap na thuiskomst meteen van haar hoofd en gingen ze samen dansen. Met de gordijnen dicht.

Sinds de keer dat mijn dochter een vinger in een van de oogjes van haar dochter had geplant maakten we weleens een praatje. Beter gezegd: we zeiden wel eens wat tegen elkaar.

Gisteren zei ze bijvoorbeeld, terwijl ze op de dochter wees: „Zo, die groeit ook als kool…”

Als we dan toch met groenten gingen vergelijken kon ik er ook wat van.

„Die van jou heeft kleur op de wangen”, zei ik. „Net een wortel.”

Na een korte stilte vroeg ik wat ze van een boerkaverbod vond. Tot mijn verbazing helemaal niets.

Ze was met andere dingen bezig.

Haar man was werkloos, ze zaten in de schuldsanering.

„We hebben Allah gevraagd om werk.”

Daarna keek ze de andere kant op, het was duidelijk dat ze vond dat ze al te veel had gezegd en dat ze niet zat te wachten op een antwoord van mij.

We zeiden ‘goedendag’ tegen elkaar toen ze uitstapte.