Recensie

Rauwe en grimmige familie-tragedie

Het toneelspel in ‘De moed om te doden’ heeft iets onwennigs, alsof regisseur Guy Cassiers geen greep krijgt op het verhaal van Lars Norén.

Het toneelbeeld is een zwarte gevangenis: dit is de kamer van de zoon. Een stoel en een muziekmeubel, meer niet. De vader dringt zich aan hem op, met een meedogenloze confrontatie als gevolg. Met De moed om te doden uit 1980 zette de Zweedse toneelschrijver Lares Norén (1944) definitief de toon van zijn toneelwerk: sterk freudiaans geïnspireerde familietragedies vol haat, verbittering en strijd. En ook, zoals deze titel aangeeft, moordlust.

Regisseur Guy Cassiers van het Antwerpse Toneelhuis plaatst Dirk Van Dijck als de vader en zoon Wouter Hendrickx in een psychologisch tweegevecht. De vader als sluwe, ongewenste gast, de zoon als de cynische verdediger van zijn territorium.

Deze regie van Cassiers is uniek in zijn oeuvre. Ditmaal geen camera’s, video’s of andere theatertechnieken, maar puur toneelspel vol hevige emoties. Het heeft iets onwennigs, alsof Cassiers geen greep krijgt op Norén.

Dat neemt niet weg dat de voorstelling, vooral dankzij het acteursspel, onvergetelijke scènes kent tussen vader, zoon en diens vriendin. Schitterend is hoe Van Dijck een haarstukje opzet om jonger te lijken. De aanwezigheid van de vriendin wakkert de jeugd in hem aan. Maar de zoon verhardt in zijn vaderhaat, tot de sinistere laatste scène. Spel en entourage blijven rauw en grimmig, misschien had een glimp van tederheid de voorstelling toegankelijker gemaakt.