Opinie

Gebruik de aanduiding ‘populisme’ maar liever helemaal niet meer

Opinie Verbijsterend dat er zo lichtzinnig met zo’n aan interpretatie onderhevige term wordt omgegaan, betoogt

Illustratie Hajo

Populisme: ik heb inmiddels geen idee meer wat het betekent en ik heb dit woord dan ook uit mijn eigen vocabulaire verbannen. Dan is het lastig als je geen krant open kunt slaan zonder die term herhaaldelijk tegen te komen.

Aanvankelijk kende ik het woord als een negatieve aanduiding voor retoriek waarin mensen naar de mond gepraat worden door iemand die zelf beter weet. In de Van Dale heeft het ook nog die connotatie: „(minachtend) neiging zich te richten naar de massa van de bevolking.”

Politici maken van die negatieve connotatie dankbaar gebruik en deinzen er niet voor terug elkaar van populisme te beschuldigen. Zo presenteerde Alexander Pechtold het laatste verkiezingsprogramma van D66 nog als „wars van populisme”. Oftewel: hij doet geen poging om de zaken mooier of minder complex voor te stellen dan ze zijn.

De drogredenleer kent bovendien het argumentum ad populum, oftewel een argument dat een beroep doet op de mening van een groot aantal mensen om een stelling te bewijzen. In een doorsnee discussie wordt dit argument als ongeldig gezien.

Als men uitgaat van deze op manipulatie en demagogie wijzende betekenis, hebben traditionele media nogal wat op hun kerfstok. Een Nieuwsuurcommentator spreekt in een item over pro-referenda- en anti-EU-partijen over de „opkomst van populistische partijen”. De grote dagbladen spreken in hun nieuwsberichten rustig over de Oostenrijkse politicus Norbert Hofer als „de rechtspopulist”. En in een uitzending na de Amerikaanse verkiezingen kondigt DWDD-presentator Matthijs van Nieuwkerk een fragmentje van een „populistische leider” aan. Als ik vervolgens Geert Wilders in beeld zie komen, vraag ik me af of er echt geen enkele andere bewoording denkbaar was.

Woorden maken een ontwikkeling door en de betekenis ervan wordt in principe bepaald aan de hand van hoe het woord gebruikt wordt (hoe populistisch dit ook klinkt). In 2009 deed historicus Koen Vossen een poging een definitie op te stellen en hij verwoordde de kern als een overtuiging dat de bestaande politiek beheerst wordt door een sterke morele tegenstelling tussen twee groepen, namelijk de corrupte elite en het deugdzame volk.

Dat klinkt meer als een ideologie dan als retoriek. In 2013 introduceerde Pieter van Os in NRC Handelsblad de term ‘salonpopulisme’, waaraan onder andere D66 zich schuldig zou maken. De brug naar de theorie dat in feite iedere politicus een populist is, maar elk van een andere achterban, was snel gemaakt.

Momenteel lijkt er weer meer sprake te zijn van retoriek, alleen maakt nu iedereen zich er schuldig aan. En inmiddels heeft VNL-voorman Jan Roos applaus geoogst door te stellen dat hij „populist” is en daar „trots op” is.

opiauteur Wigt Robbert

De verwarring met het begrip ‘democratie’ is inmiddels geboren. En vreemd is het niet, want kort geleden was de spanning tussen de wil van de meerderheid en een kabinetsstandpunt nog onderwerp van gesprek in de Tweede Kamer. En in het parlement is het daarom ook zeer de vraag of een argumentum ad populum per se een ongeldig argument is. Immers verschuift de vraagstelling daar soms van ‘wat is de beste keus’ naar ‘wat moet er gebeuren’ en in dat laatste geval moet, in een democratische rechtsstaat, de stem van de meerderheid gewoon wegen.

Het is denkbaar dat binnen enkele decennia ‘populisme’ staat voor waar in de jaren zestig het woord ‘democraten’ voor gebruikt werd. Echter, nu de Van Dale ‘populisme’ nog als een minachtend woord ziet, het nog regelmatig wordt gebruikt om de ander van misleidende retoriek te beschuldigen en er na het woord nog heel makkelijk een nazi-vergelijking valt, vind ik het verbijsterend dat verslaggevers zo lichtzinnig met zo’n vage en interpretatiegevoelige term omgaan. Zeker als zij schrijven namens media die nogal eens door Wilders cum suis beschuldigd worden in hun nadeel te schrijven.

Populisme is (nog) niet van dezelfde orde als ‘liberalisme’ of ‘socialisme’. In tegenstelling tot de liberaal Mark Rutte zie ik Geert Wilders nog niet een vraag beantwoorden met: „Meneer, ik ben populist, u kunt wel raden wat ik hiervan vind”. Jan Roos heeft er misschien een begin mee gemaakt, maar ik acht die ontwikkeling nog in een uiterst pril stadium.

Daarom moeten media die neutraliteit nastreven dit woord vermijden. Een interviewer of commentator kan zich gewoon beperken tot aanduidingen als ‘pro-referendapartijen’. De partij van Norbert Hofer heeft een naam, namelijk Freiheitliche Partei Österreichs. Heel vrij vertaald betekent dat partij voor de vrijheid. Ik kan me op zich voorstellen dat ‘voorvechters van vrijheid’ niet het begrip is waarmee journalisten dergelijke partijen omschrijven. ‘Populistisch’ is echter meteen het andere uiterste. Gebruik neutralere termen, of definieer ‘populisme’ in elk nieuwsbericht. Dan weet de lezer of luisteraar wat ermee wordt bedoeld.