Een musical waarin de liedjes storen

Er kan veel misgaan in musicals geschreven rond bestaande succesnummers uit de popgeschiedenis.

●●

De makers van De zevende hemel hebben iets bijzonders bedacht. In theater en televisie bestaat het allang, maar voor de Nederlandse film is het nieuw: een musicalverhaal waarin de liedjes niet voor deze gelegenheid werden geschreven, maar succesnummers uit de Nederlandse popgeschiedenis zijn: een jukeboxmusical.

Het resultaat: Halina Reijn en Ruben van der Meer zingen Is dit alles (Doe Maar), Tjitske Reidinga duetteert met Thomas Acda in Omarm me (Blöf), Huub Stapel brengt het tot titelsong verheven De zevende hemel (De Dijk) ten gehore – en zo meer. Tot de finale, waarin alle personages een koor vormen in het meezingbare Avond (Ik geloof in jou en mij) van Boudewijn de Groot.

Lees verder na de trailer

In feite zijn de jukeboxmusicals er in twee soorten: de biografische musicals over een artiest met diens hits, en de shows waarin rond bestaande liedjes een nieuw, fictief verhaal werd geschreven. Mamma Mia! (2008), met meer dan twintig hits van Abba, is nog steeds het beste voorbeeld van die laatste variant.

Het verhaaltje – over een moeder die op drie vroegere minnaars stuit en een dochter die wil weten wie van de drie haar vader is – plooide zich dermate behendig rond de songs dat het leek alsof die nummers voor dit doel waren gescheven. Niet voor niets sprak Abba-gitarist Björn Ulvaeus over „de musical waarvan we nooit wisten dat we die hadden geschreven”.

Het meest geslaagde voorbeeld van Nederlandse bodem is de musical Doe Maar (2007) die, in weerwil van de titel, niet over de beroemde popgroep ging, maar een ingenieus plotje behelsde met luchtig opgediste generatieconflicten uit het begin van de jaren tachtig.

Maar het kan ook heel makkelijk misgaan: zo eenvoudig is het niet, het invoegen van bestaande nummers in een nieuwe intrige. Nederlandse theatermusicals als Dromen… zijn bedrog (2010), met hits uit vijftig jaar Nederlandse popmuziek, en Onder de groene hemel (2015), met de successen van Boudewijn de Groot, waren onbeholpen in elkaar geknutseld. Onnavolgbare wendingen in het script moesten het excuus vormen om het volgende liedje aan te heffen.

Geen sprake van ironie

Als tv-producent deed Job Gosschalk al enige ervaring op dit gebied op met de comedyserie ’t Vrije Schaep (2009), een parodie op de tijdgeest van de jaren zeventig met Nederlandse hits uit die tijd. Zo excelleerde het duo Loes Luca en Pierre Bokma in de Shaffy&List-hymne Pastorale, terwijl Annet Malherbe eer inlegde met Astrid Nijghs hoerenlied Ik doe wat ik doe en Loes Luca in Telkens weer de droefenis van Willeke Alberti wist te evenaren. Dat was grappig omdat de verhaaltjes, de liedjes en de karakters met een knipoog werden opgedist. Die ironie vormde de attractie van de serie.

Maar in de nu door Gosschalk geregisseerde bioscoopfilm De zevende hemel is van ironie geen sprake. Samen met scenarist Tijs van Marle schiep Gosschalk een familie met een pater familias die een restaurant runt, een moeder die het niet lang meer zal maken en kinderen die opvolgingsperikelen teweegbrengen. Genoeg ingrediënten voor een kwaliteitssoap met het sterrenensemble dat is verzameld.

De vraag is alleen hoe zo’n film tevens „een ode aan de Nederlandse muziek” kan worden, zoals de makers voor ogen stond. De meeste liedjes zijn Fremdkörper die op gespannen voet staan met de intrige en de dramatiek niet opstuwen maar hinderlijk onderbreken. Al was het maar omdat Gosschalk niet altijd blijkt te weten hoe hij de liedjes spannend in beeld moet brengen. Een echtelijk parcours door een supermarkt tijdens Is dit alles (om één voorbeeld te noemen) levert alleen een reeks doodsaaie beelden op. En wat heeft het tere Mag ik dan bij jou van Claudia de Breij, hier gezongen door Noortje Herlaar, in vredesnaam te maken met de balletdans die daarbij wordt vertoond?

Zo zitten liedjes en verhaal elkaar soms danig in de weg. Terwijl dat nou juist een absolute voorwaarde is voor een jukeboxmusical: dat er uit al die heel verschillende elementen niettemin een eenheid ontstaat.

    • Henk van Gelder