Recensie

De golden boy van het Nieuwe Bouwen

Biografie

Architect Mart Stam werkte voor Stalin en zweeg over diens terreur. Toch is zijn biograaf mild voor hem.

De onverbiddelijke functionalist

Waarschijnlijk hebben de cineast Joris Ivens en de architect Mart Stam, allebei afkomstig uit Nederland, elkaar ontmoet in het Russische Magnitogorsk. Ivens verbleef er in 1931 om opnamen te maken van de bouw van Stalins staalstad voor zijn film Het lied van de helden, Stam (1899-1986) ontwierp woonwijken. Met eigen ogen hebben ze gezien hoe de stad bij de ijzerhoudende Magneetberg in de Oeral hoofdzakelijk werd gebouwd door tienduizenden dwangarbeiders. ‘Er heerste honger’, schrijft Stef Jacobs in Mart Stam. Dichter van staal en glas, de biografie waarmee hij onlangs promoveerde. ‘In de eerste helft van 1931 vonden vijfduizend kinderen door ontberingen de dood. Vele duizenden tentbewoners stierven in de strenge winters van de kou.’

In Het lied van de helden is geen spoor van de dwangarbeiders te bekennen. Ivens wekte de indruk dat de bouw van de staalfabrieken van Magnitogorsk een heroïsche onderneming van vrijwilligers was. Later zou hij de dwangarbeiders ‘onkruid’ noemen. Stam heeft zich na zijn terugkeer uit de Sovjet-Unie in 1934 nooit uitgelaten over de creperende gevangenen, maar viel net zo min als Ivens van zijn communistische geloof af.

Naïef slachtoffer

In 1948 vertrok Stam naar het communistische Oost-Duitsland om daar directeur van de Hochschule für Werkkunst in Dresden te worden. Terwijl hij van de Hochschule een tweede Bauhaus probeerde te maken, stelden de communistische machthebbers in de DDR, net als eerder in de Sovjet-Unie, het socialistisch realisme verplicht voor alle kunsten. Na vier jaar leidde dit ertoe dat Stam als ‘formalist’ het land werd uitgeknikkerd. Hoewel Stam inzake het werken voor ‘foute’ regimes, net als Ivens, een recidivist is, is Jacobs mild. ‘Eerder een naïef slachtoffer dan een foute dader’, noemt hij Stam.

In Stams verblijf in de Sovjet-Unie ziet Jacobs een keerpunt in zijn leven. Niet alleen werkte hij vier jaar aan plannen die niet of nauwelijks werden uitgevoerd, ook liep zijn huwelijk met Leni Lebeau op de klippen. Hij kreeg een relatie met de latere stedenbouwkundige Lotte Beese met wie hij in 1934 naar Nederland terugkeerde. Hier kreeg hij met moeite werk als architect. Meer dan een enkel gebouw wist hij niet te realiseren en hij was vooral actief als meubel- en tentoonstellingontwerper. Ook werd hij redactielid van 8 + Opbouw, het tijdschrift van de Nederlandse Nieuwe Bouwers.

Voor zijn vertrek naar Magnitogorsk leek Stam een grote toekomst tegemoet te gaan. Hij gold toen als de golden boy van het Nieuwe Bouwen. Vooral door zijn pleidooien voor een radicaal functionalisme in Duitstalige avant-gardistische tijdschiften als G en ABC had hij een grote reputatie opgebouwd. Zonder iets substantieels gebouwd te hebben, werd hij al op 27-jarige leeftijd uitgenodigd om een bijdrage te leveren aan de Weissenhofsiedlung, de modernistische modelwijk in Stuttgart. Hier mocht hij te midden van de gebouwen van grote jongens als Le Corbusier, Ludwig Mies van der Rohe en J.J.P. Oud een blokje rijtjeshuizen neerzetten. Na de Weissenhofsiedlung kon Stam aan de slag in Frankfurt, waar hij als medewerker van stadsarchitect Ernst May een bejaardenhuis en de woonwijk Hellerhof ontwierp. Vervolgens ging hij in 1930 als lid van de brigade May naar de Sovjet-Unie om daar in het kader van Stalins eerste vijfjarenplan steden te ontwerpen.

De architectuurhistoricus Auke van der Woud heeft eens verzucht dat ‘Stams enorme reputatie was gebaseerd op een weinig indrukwekkend oeuvre.’ Jacobs wil dit weerleggen met zijn biografie. Hij noemt Stam invloedrijk en zelfs geniaal. Zo beweert hij dat diens ontwerp voor Magnitogorsk vaak is nagevolgd in de Sovjet-Unie. Enig bewijs geeft hij hiervoor niet. Dat kan ook moeilijk, want bij steden betekende het socialistisch realisme een terugkeer naar de traditionele bouw.

Tegenwerking

Jacobs laat Stam over Magnitogorsk zeggen dat hij ‘precies bouwde wat May had ontworpen’, toen bewoners op de bouwplaats protesteerden tegen hun toekomstige behuizing. Bij andere collectieve projecten, zoals het ontwerp van de Amsterdamse woonwijk Frankendael en het beroemde modernistische dorpje Nagele in de Noordoostpolder, valt evenmin te bepalen wat nu precies het aandeel van Stam is geweest. Zelfs zijn beroemdste ontwerp, de achterpootloze stalen-buizenstoel, was omstreden. Pas na langdurige rechtszaken stelden Duitse rechters in 1932 vast dat niet Bauhaus-ontwerper Marcel Breuer maar Mart Stam de Freischwinger zes jaar eerder had uitgevonden.

Dat Stam niet de ster van het Nieuwe Bouwen werd die hij in de jaren twintig beloofde te worden, wijt Jacobs uiteindelijk niet zozeer aan zijn moeilijke karakter als wel aan de tegenwerking die hij wegens zijn communistische overtuigingen zou hebben ondervonden. Maar ook hiervoor levert de biografie nauwelijks bewijs. Eerder voor het tegendeel: vijf jaar na zijn terugkeer uit de Sovjet-Unie werd hij van staatswege benoemd tot directeur van het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs in Amsterdam.