Commentaar

Nepnieuws is niet leuk meer

Facebook en Google gaan websites die nepnieuws publiceren weren van hun advertentieplatforms. Het lijkt een eerste, terechte stap waarmee de informatiegiganten verantwoordelijkheid nemen voor hun (lang ontkende) rol als nieuwsuitgever. Het bericht komt in de nasleep van de Amerikaanse presidentsverkiezingen. Het lijkt erop dat kiezers naarmate de strijd tussen Trump en Clinton opliep, nepberichten waarmee ze werden opgehitst of bang gemaakt, vaker zijn gaan lezen en vooral, zijn gaan delen. Daarin aangemoedigd door kandidaat Trump die uitzonderlijk opportunistisch met de feiten omging. Voor Oxford Dictionaries was het bijvoeglijk naamwoord ‘post-truth’ dan ook het woord van het jaar. Het leek niet langer te gaan om feit of fictie, maar welk gevoel de burger bij de aangeboden informatie had of zou moeten krijgen. In die sfeer van diep wantrouwen ondervond journalistiek gecontroleerd nieuws onverwacht harde concurrentie van nepnieuws, op de maat van het humeur en de mening van de lezer.

Nu is dergelijk gebruik van de publieke ruimte op zichzelf niets nieuws. In de aanloop naar de Franse revolutie was het koningshuis in pamfletten onderwerp van sensationele verdachtmakingen en laster – de Koning ‘baadt in kinderbloed’ bijvoorbeeld. In de 20ste eeuw produceerde de gedrukte Angelsaksische ‘yellow press’ vooral amusante tabloids. ‘Clinton neemt stagiaire aan met drie borsten’. ‘Afgesneden Been Hinkt Zelf naar Ziekenhuis’.

Het politieke nepnieuws vormt echter een andere dimensie. Dankzij het digitale advertentiemodel en het totaal ontbreken van eindredactie werd het: verzin uw eigen leugens en krijg geld toe. Her en der exploiteren schrijvers van nepnieuws aldus de goedgelovigheid, partijdigheid en het matig onderscheidingsvermogen van de burger. Dat zijn nieuwsparasieten: schadelijk en ongewenst.

Dankzij internet is iedereen journalist, maar niemand eindredacteur. Dat tast op termijn dus ook de distributiekanalen Google en Facebook zelf aan. Zij kunnen niet langer volhouden dat ze géén uitgevers zijn, maar louter technologiebedrijven. Wie informatie op zo’n grote schaal verspreidt moet daarvoor ook verantwoording afleggen. Niet alleen over het waarheidsgehalte, maar ook voor het recht om andermans berichten te mogen exploiteren.

Intussen dringt bij de burger het besef door dat digitale nieuwsselectie snel een privé bubbel vormt, waarin afwijkende informatie niet meer doordringt. De digitale nieuwsstroom lijkt zo de samenleving uiteen te drijven, in plaats te verbinden. Dat hoeft de burger niet te laten gebeuren – die is er zelf bij. Maar de digitale nieuwsgiganten moeten hun verantwoordelijkheid wel gaan inzien.