Column

‘Liever niet’

Het mooiste verhaal van de wereldliteratuur noemde Maarten ’t Hart het: Bartleby, the Scrivener: A Story of Wall Street van Herman Melville. Veel recensenten reageren even enthousiast nu het als De klerk Bartleby in een Nederlandse vertaling (van Rosalien van Witsen) verschenen is. Ik kan het alleen maar hartgrondig met ze eens zijn.

Wat maakt het tot zo’n bijzonder boekje? Je hebt het snel uit en je zou het daarom even snel kunnen vergeten, maar toch blijft Bartleby je achtervolgen. Je wilt weten wat hem bezielde, hij is één groot raadsel dat je denkt te kunnen oplossen als je er maar lang genoeg over piekert. Maar het zal je niet lukken. Ik heb er allerlei analyses op nagelezen, maar ze zijn zo uiteenlopend dat de conclusie moet zijn dat Bartleby altijd een raadsel zal blijven; iedere poging tot oplossing is een projectie die meer over jezelf zegt dan over Bartleby.

Nergens vond ik een verklaring van Melville (1819-1891) zelf. Zalig zijn de schrijvers die toen nog geen interviews hoefden te geven; zwijgend konden zij het mysterie van hun boek in stand houden.

Bartleby wordt de derde klerk op een advocatenkantoor. Zijn baas, de ik-figuur in het verhaal, vertelt over zijn vreemde ervaringen met hem. Bartleby ontpopt zich als een monomane werker, hij moet documenten overschrijven en doet dat dag en nacht. „Maar hij schreef maar door, in doodse stilte, bleek en automatisch.”

Zijn gedrag wordt pas problematisch als hij opdrachten begint te weigeren. „Liever niet”, zegt hij steeds. („I would prefer not to.”). Veel mededeelzamer zal hij niet worden. De situatie is op den duur onhoudbaar en kent alleen maar verliezers.

Waarom was Bartleby zo obstinaat? Was hij zomaar een ernstig gestoord of depressief iemand, of werd hij gedreven door een principieel protest tegen een inhumane wereld die hem al eerder had afgedankt, zoals de schrijver (misschien!) lijkt te suggereren. Wilde Melville het anonieme, geïsoleerde leven uitbeelden van al die ondergeschikte werknemers in de Amerikaanse samenleving, of moeten we Bartleby’s mislukte bestaan beschouwen als een metafoor voor de vergeefsheid van het leven – een uitzichtloze strijd tegen het noodlot?

Hoe uniek ook, het is een verhaal dat vaak wordt vergeleken met verhalen van Kafka die Melville vermoedelijk nooit gelezen heeft. Zelf moest ik denken aan De vergaderzaal, de beklemmende novelle uit 1974 van A. Alberts.

Net als Bartleby moet meneer Dalem, de hoofdpersoon, een werkend leven leiden dat hem opgedrongen is. Hij keert zich tijdens een vergadering met zakenlieden van zijn omgeving af. „Meneer Dalem had niet geluisterd. Hij had voortdurend gedacht aan het vreemde gevoel in zijn hoofd.” Het is het begin van zijn ineenstorting.

Er drong zich bij mij nog een associatie op, een actuelere. In de bioscoop draait de film Toni Erdmann, van de Duitse regisseuse Maren Ade. Een bizarre film over een bizarre man. Het is alsof Anton Tsjechov en Wim T. Schippers samen het scenario hebben geschreven; soms weet je niet of je moet huilen of lachen. Ik vond het een indrukwekkende film over een vader die alles doet om zijn dochter te bereiken.

Die vader is even eenzaam als Bartleby en meneer Dalem.