Een onderzoek naar schuld en boete

Koloniaal verleden

Terwijl premier Rutte in Indonesië is, pleiten Indonesische academici voor gezamenlijk onderzoek naar het koloniale verleden. En, zeggen ze nu, dan moeten ook de voor hun eigen land pijnlijke zaken aan de kaak worden gesteld. „Tijd voor verandering.”

Dit portret zal te zien zijn in een tentoonstelling begin 2017 in het Nationaal Militair Museum. Het wordt het boegbeeld van de tentoonstelling. Suzanne Liem

Zuid-Sulawesi, december 2011. Ibu (mevrouw) Manna kijkt met haar kleinzoon naar een uitzending over een massamoord door Nederlandse militairen in een Javaans dorp. In Rawagade (nu Balongsari) waren in 1947 bijna alle mannen gedood, en de nabestaanden hadden net een rechtszaak tegen de Nederlandse staat gewonnen. Door de gelijkenissen tussen Rawagade en het verhaal van zijn eigen dorp Rappang op Zuid-Sulawesi in 1947, begrijpt de kleinzoon ineens het verleden van zijn oma, wier man ook was doodgeschoten. Het verhaal was er in stukjes altijd, maar plaatsen kon hij het niet. Nu vertelt oma voor het eerst uitgebreid.

Premier Mark Rutte is deze week op handelsmissie in Indonesië. Aan de vooravond van zijn vorige bezoek in 2013 zei hij dat „we het verleden, het verleden” moesten laten. Kort daarvoor bood Nederland voor het eerst officieel excuus aan voor misdaden tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog (1945-1949). Dat gebeurde nadat de staat twee civiele zaken verloor die Indonesische nabestaanden van slachtoffers in Rawagede en Zuid-Sulawesi aanspanden.

Herstelbetalingen

Het maken van excuses en de rechtszaken raken aan de vraag, hoe Nederland met de verwerking van het koloniale verleden om zou moeten gaan. Een vraag die nog actueler werd na het recente proefschrift van historicus Rémy Limpach, die hard oordeelt over het Nederlandse militaire optreden. De media-aandacht die volgde, lijkt vooral te gaan over de Nederlandse Vergangenheitsbewältigung. Heeft dat nog wel iets met Indonesië te maken? De roep om grootschalig onderzoek en het betalen van compensatie door de staat, zit Indonesië daar eigenlijk wel op te wachten?

Mevrouw Manna is een van de nabestaanden die historica Nicole Immler en documentair fotografe Suzanne Liem, onlangs in Balongsari en Zuid-Sulawesi, bezochten. Immler werkt aan een onderzoek aan het NIOD (Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie) en de Universiteit voor Humanistiek naar Joodse en postkoloniale herstelbetalingen .

Het duo onderzocht hoe het nabestaanden was vergaan nadat vierendertig van hen individueel 20.000 euro compensatie kregen van Nederland. Ze spraken met bijna vijftig nabestaanden.

Aanwezigheid van het verleden

De plotse aandacht die mevrouw Manna van haar familie kreeg, was goed voor haar, zeggen Liem en Immler in een zaal van het NIOD in Amsterdam. Volgens de kleinzoon was ze daarvoor erg triest en heeft ze nooit geweten waarom haar man van huis was weggehaald en doodgeschoten. Wat sterk uit de verhalen van het duo naar voren komt, is de aanwezigheid van het verleden in de levens van de betrokkenen. Zo spraken ze met een kleindochter van de weduwe Ibu Tjammorong uit Pare Pare in Zuid-Sulawesi, die liet zien hoe de armoede als gevolg van de executies tot in de derde generatie doorwerkt. Immler: „Haar oma zei, als je opa nog had geleefd dan zouden we een beter leven hebben gehad.” De kleindochter moest koeken verkopen die oma bakte en liep dagelijks zonder schoenen met de nabestaanden mee naar de begraafplaats van de doodgeschoten mannen. „De emotie over het niet erkende verleden van de oma en de schaamte over de armoede, van zo’n jong iemand, dat raakte me enorm”, aldus Immler.

Erkenning is cruciaal, aldus Liem. „Jeffry Pondaag (de Nederlands-Indonesische activist die de zaken voor de rechter bracht) luisterde naar hun verhalen. Dat was nog nooit gebeurd.” Het geld is daarbij erg welkom. „Het zijn hele arme mensen die een leven lang dromen van een opleiding voor hun kinderen en het kunnen bouwen van een eigen huisje.”

Maar al zijn de nabestaanden dankbaar: uit het onderzoek van Immler en Liem komt naar voren dat het compensatieproces ook een Nederlandse aangelegenheid is en de Indonesische gemeenschap niet alleen ten goede komt. Toen Pondaag en advocate Liesbeth Zegveld in 2007 juridische claims bij de rechtbank op tafel legden, stuurde de overheid twee jaar later 850.000 euro ontwikkelingsgeld naar Balongsari. Dat wilde de staat niet koppelen aan erkenning voor de executies en daarom pleitten Pondaag en Zegveld vervolgens voor individuele erkenning.

Toch zag Immler die wensen niet zo sterk terugkomen in de gesprekken met nabestaanden: „Ze zijn vooral ingekleurd door wat wij hier belangrijk vinden.” Nadat Pondaag en Zegveld de zaak wonnen kwamen er herstelbetalingen, die volgens de Nederlandse wet op individuele basis werden toegekend. Dat leidde tot grote problemen in Balongsari. Alleen de mensen waarvan het slachtofferschap onomstotelijk kon worden bewezen, kregen geld en de rest niet, en het geld werd herverdeeld door het dorpshoofd. „Zo’n Nederlandse procedure ontwricht een gemeenschapscultuur. Je creëert daarmee een hiërarchie onder slachtoffers en speelt mensen tegen elkaar uit”, aldus Immler, die soortgelijke situaties zag in haar onderzoek naar compensatie aan Joodse Holocaust-slachtoffers na de Tweede Wereldoorlog in Amsterdam. En ook in rechtszaken rond het Britse koloniale verleden en de Keniaanse Mau Mau guerrillabeweging, waarbij dezelfde problemen ontstonden. Het ging hierbij over marteling in Britse gevangenschap.

Polariserende rechtszaken

Het door de Nederlandse staat uitgevoerde juridische onderzoek ter plaatse is volgens het duo erg Nederlands van opzet. „Het verhaal van de mensen wordt gereduceerd tot de vraag wie er in een bepaald graf ligt”, zegt Liem. „Aan kinderen wordt gevraagd wat het gederfde inkomen was van hun vader. Dat is zakelijk en Nederlands en voor die mensen niet begrijpelijk.”

De Indonesische historicus Bambang Purwanto (Universitas Gadjah Mada, Jogjakarta) is kritisch over de rechtszaken. Hij bekleedde van 2008 tot 2013 de Leidse leerstoel voor de geschiedenis van Nederlands-Indonesische relaties en vindt dat de rechtszaken problemen creëren in Indonesië en onnodig polariseren. „Het houdt beide landen in de greep van schuld en boetedoening, daar moeten we vanaf,” zegt hij in de lobby van zijn hotel in Amsterdam. „En als je wilt procederen dan moet je beginnen bij de VOC in de zeventiende eeuw, bij de genocide op de bevolking van de Banda-eilanden door Jan Pieterszoon Coen. En hoe zit het dan met iemand die door de koloniale politie is gemarteld in 1938? Waarom wordt een relatie van driehonderdvijftig jaar tot 1945-1949 teruggebracht?”

Daarbij vindt hij de vaststelling van geldbedragen door Nederland voor moord, marteling en verkrachting van Indonesiërs stuitend. „Is het aan Nederland te bepalen welke prijs voor het sterven voor onze vrijheid moet worden betaald?” Purwanto vindt dat men aan geschiedschrijving moet doen, niet aan politiek.

Maar laat het verhaal van mevrouw Manna en haar kleinzoon niet juist zien, dat historische feiten en de afhandeling daarvan, niet zo makkelijk los van elkaar te plaatsen zijn? Het was de gewonnen rechtszaak van Rawagade waardoor mensen in het dorp het gevoel kregen onderdeel te zijn van een collectief verleden. Immler: „De kleinzoon van mevrouw Manna beseft dat plotseling. Daarvoor was het slechts een individueel verhaal van zijn grootmoeder.”

De hand van het recht leidde in Nederland tot politieke erkenning, maar gaf ook het maatschappelijke en wetenschappelijke debat een nieuwe impuls. De rechtbank stuurde de Australische historicus Robert Cribb er zelfs onlangs op uit om onderzoek te doen op Zuid-Sulawesi.

Historicus Rémy Limpach beargumenteert dat Nederlands militair geweld in Indonesië structureel was. Maar ook daarmee wordt volgens Purwanto vooral een probleem in de Nederlandse historiografie blootgelegd. „Die conclusie is voor ons niets nieuws. Ook kun je Nederlands geweld niet los van Indonesisch geweld bekijken.”

Pijnlijk verhaal

Ariel Heryanto, hoogleraar postkoloniale studies aan de Australian National University, tijdelijk verbonden aan het Leidse Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV ), ziet de Nederlandse academische impuls als een belangrijke stap, zegt hij. Maar er is nog veel te doen. Beide landen komen moeizaam over hun koloniale erfenis heen, en blijken slecht in staat om de verschillende perspectieven in de koloniale geschiedschrijving te integreren. „Daarin verschillen we weinig van elkaar.”

Purwanto en Heryanto groeiden op in een Indonesië waarin de schoolboeken voornamelijk over het heldendom van de Indonesische onafhankelijkheidstrijd ging. „Alle verantwoordelijkheid voor wat fout was gegaan, lag bij het kolonialisme en Indonesië was de grote held, dát leerde je op school”, aldus Heryanto. „Maar dat kolonialisme een samenwerking was van een elite van Nederlanders en Indonesiërs, dat is een verhaal dat in beide landen niet in de schoolboeken staat.”

Dat is volgens de onderzoeker ook de reden waarom er in Indonesië zelf geen postkoloniaal debat ontstond: „Indonesiërs die andere Indonesiërs onderdrukten, dat is niet alleen een pijnlijk verhaal, maar ook een systeem dat zijn diepe sporen heeft nagelaten in het Indonesië van vandaag.”

Advocate Liesbeth Zegveld laat in een reactie weten zelf geen voorstander te zijn van eindeloos procederen. „Maar bij een totaal gebrek aan creativiteit van een ieder, was dit de enige weg naar erkenning. Het is makkelijk om na zestig jaar van passiviteit kritiek te leveren op de problematische kanten van het recht.”

Purwanto en Heryanto willen meer dialoog en samenwerking met Nederland. „We kunnen de geschiedenis van Indonesië en Nederland niet los van elkaar zien” aldus Purwanto. „En die koloniale geschiedenis is veel breder en rijker dan tot waartoe het nu wordt gereduceerd. Dat jullie in bijna iedere stad een Javastraat hebben geeft dat al aan.” Drie historische instituten roepen sinds 2012 op tot grootschalig onderzoek. De Indonesische president gaf eerder dit jaar aan liever naar de toekomst te willen kijken. „Los komen van koloniaal gedachtengoed doet ieder in zijn eigen tempo”, zegt Heryanto daarover. „Nodig Indonesische studenten en onderzoekers uit bij jullie onderzoek”, oppert hij. „Dit, wat wij nu doen is waar het om gaat: een dialoog voeren, ideeën uitwisselen en verbinding zoeken. Dat kan met historisch onderzoek, maar net zo goed via kunst, cultuur, literatuur en de journalistiek.” Purwanto spreekt van „een nieuwe episode’’ in de relatie Nederland-Indonesië. „Tijd voor verandering.”