Dit is wat de musea met rode cijfers willen doen

Jaarcijfers musea En weer gaat het niet goed met de kleine en middelgrote musea. Tijd voor een oplossing, vindt de directeur van de Museumvereniging. Dit zijn de plannen.

Rijksmuseum Twenthe hing volgens Siebe Weide aan een zijden draadje. Foto Berteun Damman

Siebe Weide kan ze zo opsommen: Oss, Venlo, Sittard, Breda: „Daar heeft het erom gespannen.” Rijksmuseum Twenthe „hing aan een zijden draadje”. Het Geldmuseum in Utrecht „is niet meer onder ons”. En het is „ook niet voor niks” dat de Museumvereniging waarvan hij directeur is, maandag congresseerde in het Wereldmuseum in Rotterdam. „Daar gaat de gemeenteraad aanstaande donderdag hopelijk een positief besluit over nemen.”

De Museumvereniging presenteerde gisteren de jaarcijfers van de 413 aangesloten musea. Mochten de cijfers, ze staan hiernaast, bekend klinken, dan is de verklaring: ze lijken op die van vorig jaar en de jaren daarvoor. Weer meer groei in bezoekersaantallen, weer meer groei in eigen inkomsten.

Dat wil zeggen: als je alle musea bij elkaar optelt. Want de andere, ook al bekend klinkende getallen gaan over de moeilijke tijden voor kleine en middelgrote musea: opnieuw rode cijfers, terwijl juist naar deze musea relatief minder subsidie toegaat. Ter vergelijking: de subsidie per bezoek bij grote (rijks)musea is vier keer zo hoog als bij kleine, vrijwel altijd door gemeentes gesubsidieerde musea. En bijna twee keer zo hoog als bij middelgrote musea.

Hoe die tekorten ontstaan? Siebe Weide: „Dat kunnen huisvestingskosten zijn, die stijgen doordat een museum in een monument zit dat onderhouden moet worden. Het kan komen doordat de werkgeverslasten omhoog zijn gegaan. Of door de wensen van het publiek. Omdat musea er beter uit zijn gaan zien, en bezoekers dat weten, kun je niet meer voor de dag komen met een museumcafé dat alleen maar tosti’s serveert.”

Overigens: rode cijfers betekenen niet meteen een faillissement. „Het is een optelsom van de groep als totaal, het negatieve resultaat geldt niet voor elk museum afzonderlijk. Het kan ook fluctueren: een museum kan het ene jaar negatief afsluiten en het volgende toch weer positief. Of een museum heeft nog reserves. Wat ook gebeurt: dat een gemeente op het laatste moment bijpast.”

Maar faillissement of niet, de rode cijfers „stemmen tot zorg”, staat in het cijferoverzicht. En zo langzamerhand ook tot actie: daar ging de ledenvergadering over, gisteren. Wat kan de Museumvereniging betekenen voor die kleine en middelgrote musea? En wat kunnen ze zelf?

Dit moeten de oplossingen zijn

Vier dingen, volgens Siebe Weide. Eén: „Wij willen het draagvlak voor musea vergroten door een diverser publiek te bereiken.” Sinds 2015 is om die reden al het traditionele ‘museumweekend’ vervangen door een ‘museumweek’, inclusief de suggestie om „een recente aanwinst van het museum centraal te stellen, met een korte toelichting wat deze museumschat van waarde maakt voor stad of streek”.

De vereniging, dat is twee, „gaat musea vaker helpen om dit verhaal van identiteit en geschiedenis te vertellen”.

Drie: „Als kleinere musea meer worden gedragen door hun omgeving, komt die positieve publieke opinie ook terecht bij de politiek.” En volgend voorjaar zijn er gemeenteraadsverkiezingen. Die gemeentes kunnen extra subsidie geven, maar wat ook kan: „De entourage van het museum verbeteren. Of het parkeerbeleid. Het vrijwilligersbeleid.” Dus dat moet ook: „Dat musea de programmavorming van het nieuwe college in hun gemeente beïnvloeden.”

En vier: „Wij willen als vereniging de onderlinge samenhang vergroten: wat kunnen grotere musea betekenen voor kleinere musea?” Dan kun je denken aan collectieve promotie, op elkaar afgestemde programma’s, eventueel met combitickets, gezamenlijke arrangementen of bijvoorbeeld een themajaar, stond eerder al in een rapport over ‘partnerschap’.

Blijft nog één cijfer over dat Siebe Weide graag genoemd wil hebben: 5 miljoen. Dat is het totale aantal objecten van de Nederlandse museumcollectie dat dagelijks tentoongesteld is. „Fantastisch toch, dat er zoveel is te zien?”