De priester hielp zelf bij de massamoord

Correspondent Koert Lindijer herinnert zich hoe kerken slachtplaatsen werden tijdens de genocide in 1994. Nu bieden de geestelijken excuses aan.

Tijdens de genocide in Rwanda werden duizenden mensen gedood terwijl zij hun toevlucht zochten in kerken. Zo ook in deze kerk in Ntarama, Rwanda waar ter nagedachtenis de kleding van slachtoffers is opgehangen boven kisten waarin lichamelijke overschotten liggen. Foto Ben Curtis/AP

De priester in het kerkje ten zuiden van de Rwandese stad Cyangugu aan het Kivumeer zweette overdadig toen hij mij na veel aandringen een rondleiding gaf. Hij kon niet uitleggen waarom er bloed aan de muur kleefde. Dat was in 1994, ten tijde van de Rwandese genocide toen in drie maanden tijd 800.000 tot één miljoen mensen werden gedood. Achteraf bleek dat de priester een militie die Tutsi’s kwam vermoorden zelf had geholpen.

Ruim twee decennia na de genocide, een van de grootste massaslachtingen van de vorige eeuw, hebben de Rwandese bisschoppen hun excuses aangeboden voor de rol van hun kerk bij de gebeurtenissen in 1994. „Vergeef ons voor de misdaad van haat, dat we zelfs onze collega’s haatten wegens hun etniciteit”, aldus een verklaring die zondag tijdens de preek werd voorgelezen in alle kerken op de duizenden heuvels in het land.

Lees ook deze reportage die Koert Lindijer in 2014 schreef, 20 jaar na de genocide: Lachen om niet te huilen

Vorig jaar riep paus Franciscus het Heilige jaar van de Barmhartigheid uit. Die periode waarin geestelijken aan reflectie ten behoeve van verzoening moesten doen, liep deze week af. Daarom uitten de bisschoppen hun excuus. De kerk had nooit eerder officieel zijn verontschuldiging aangeboden. Bij bezoeken van Rwandese geestelijken aan Rome eerder dit jaar had Franciscus daarop aangedrongen.

Bij de aanvang van de genocide was de top van de katholieke kerk nauw verbonden met de regering. Tienduizenden Tutsi’s zochten in 1994 in het overwegend katholieke Rwanda bescherming in kerken. Die bescherming kregen ze niet, integendeel, kerken werden slachtplaatsen, soms met medewerking van geestelijken. Sommige nonnen waagden hun leven door Tutsi’s te verbergen. Sommige priesters daarentegen werkten samen met de massamoordenaars, zoals de priester in Cyangugu. Na de genocide zijn zij het land ontvlucht en een aantal is in het buitenland berecht.

In 1994 schreef Koert Lindijer deze reportage over de genocide: De doden zijn gezegend in Rwanda

Na onderzoek onder nabestaanden de dagen na mijn bezoek, bleek dat de priester de militie die Tutsi’s kwamen vermoorden zelf had rondgeleid in de kerk om degenen eruit te pikken voor executie. De priester had een Hutu vader en een Tutsi moeder. Door de officiële propaganda van de overheid was hij bevangen geraakt door de haat tegen Tutsi’s en dat had hem tot een handlanger van de massamoordenaars gemaakt.

„Komt dit excuus niet veel te laat”, vroeg ik een nabestaande in Rwanda vandaag per telefoon. „Het is nooit te laat”, antwoordde ze.

„Er leven nog steeds nabestaanden en in hun hoofden woedt het geweld van toen nog steeds, voor hen heeft dit officiële excuus dus wel degelijk nog grote waarde.”