Column

Lekker die groei, maar wat voor banen zijn het?

Column De cijfers van de arbeidsmarkt zijn feestelijk, maar hoe zit het met de kwaliteit van de banen?

mennotamminga0

Oud parool, nieuw spandoek. Werk, werk, werk. De daverende arbeidsmarkt is de ideale bondgenoot van Lodewijk Asscher om PvdA-lijsttrekker te worden. De minister twittert het goede nieuws over het laatste kwartaal zelf het land in. „Na jarenlange daling nu meer vaste banen (+48.000). We zijn er nog niet (vast/flex 73,8-73,2 %) maar we zijn onderweg.” Met als illustratie een pagina uit het persbericht van het CBS.

Tien kwartalen achtereen banengroei. Spectaculair, maar je wist dat het zou komen. Een economische crisis die is veroorzaakt door speculatie (huizen, kredieten) duurt langer dan een ‘simpele’ terugval door puur economische factoren. Na zo’n speculatiecrisis als in 2008 zou het vijf tot tien jaar duren voordat het saneringsproces van schuldaflossing en bezuiniging was doorstaan.

De cijfers van de arbeidsmarkt zijn feestelijk, maar hoe zit het met de kwaliteit van de banen? Asscher is de architect van bijvoorbeeld de Wet werk en zekerheid. Het doel van die wet is dat meer mensen aan de slag komen met een vast contract en minder mensen vastzitten aan onzekere, flexibele arbeidsrelaties. Sinds het dieptepunt van de arbeidsmarkt in het eerste kwartaal van 2014 is de werkzame beroepsbevolking met 315.000 mensen toegenomen, blijkt uit cijfers in de databank van het CBS. De groei is ongelijk verdeeld. Het aantal mensen met een vast contract is met 29.000 gekrompen, het aantal flexibele contracten is juist met 272.000 gestegen. Er gingen 72.000 zelfstandigen aan de slag, van wie 66.000 zelfstandigen zonder personeel.

Voorlopige conclusie: hoop doet leven, maar hoop en groei leveren geen vaste banen op.

Even afwachten maar? Op nog betere tijden? Of de regels op de arbeidsmarkt opnieuw herschrijven, zoals het (straks demissionaire) kabinet kennelijk wil?

Of je kijkt in een bredere context naar het vast-flex arbeidsmarktdebat. Twee feiten die minder de aandacht trokken, kunnen helpen. De eerste komt uit het Belastingplan 2017 van staatssecretaris Eric Wiebes (Financiën, VVD). Hoeveel inkomstenbelasting betaalt iemand met 35.000 euro bruto, wilde het CDA weten. Het duurst uit is een alleenstaande werkende zonder kinderen: 8.099 euro. Het goedkoopst is een beginnende zzp’er met een kind onder 12 jaar en een partner met een hoger inkomen (dan 35.000 euro, neem ik aan). Die betaalt 67 euro. Een ‘gewone’ zzp’er moet 3.677 euro betalen. De overheid stimuleert ondernemerschap ook fiscaal, vandaar die verschillen. Dus wie de verhoudingen op de arbeidsmarkt wil veranderen zal ook de fiscale wetgeving moet wijzigen.

Het tweede feit komt uit de Staat van het MKB, een publicatie over het midden- en kleinbedrijf die minister Henk Kamp (Economische Zaken, VVD) vorige week lanceerde. Die vermeldt bijvoorbeeld de bijdrage aan de economie van zzp’ers, mkb-bedrijven, starters en zogeheten scale-ups, dat zijn mkb-bedrijven die rap groeien en al wat langer bestaan. Het rapport telde 16.000 scale-ups, met 330.000 banen en een bijdrage aan de Nederlandse productie van goederen en diensten die bijna zo groot is als die van alle 716.000 zzp’ers samen.

Wie dus ondernemerschap (fiscaal) wil stimuleren moet bij die scale-ups zijn. Om te beginnen door een rond Nederlands woord voor die categorie bedrijven te verzinnen.

Menno Tamminga schrijft op deze plaats elke dinsdag over ondernemingsbeleid en economie.