Recensie

Ket nam iedere knoop serieus

Soms is het om ongemakkelijk van te worden, zo precies als Ket tekende. Ket bekeek en tekende al die details zo gretig omdat hij uit zijn kleine leven wilde halen wat erin zat.

Dick Ket, Zelfportret, houtskool, zwart en wit krijt op papier, 1937. Collectie Museum Arnhem. Foto Marc Pluim

De schilder en tekenaar Dick Ket (1902-1940) overleed al op zijn 37ste en kwam de laatste tien jaar van zijn korte leven nauwelijks nog buiten. Dat had te maken met een aangeboren hartafwijking, waar in die latere jaren nog straatvrees en angst voor vreemden bij kwamen. Als volwassen geworden enig kind leidde hij een voorzichtig en zeer beperkt bestaan op de eerste verdieping van zijn ouderlijk huis in Bennekom. Houd zo’n leven maar eens leuk.

Het lukte Ket redelijk, want hij tekende en schilderde onderwerpen waarvoor hij niet van huis hoefde: stillevens en mensen, zichzelf incluis. Het Museum Arnhem biedt nu in drie volle zalen een overzicht van Kets tekenkunst. Het aandeel van zijn jeugd- en academiewerk is groot, maar wat wil je ook met zo’n kort leven. Daarna, in de tweede en derde zaal, zie je Ket op zijn best.

Drooggevallen rivierdelta met ogen en een neus

Stillevens hangen er nauwelijks. Die bewaarde hij blijkbaar voor zijn schilderijen. Maar zoals hij ze tekende werden (zelf)portretten óók een soort stillevens. Alle kleding is tot op de draad vastgelegd. Iedere knoop is serieus genomen, iedere wimper, nagel en ader. Gezichten zijn zo precies weergegeven dat je soms niet weet of je naar de poriën in een huid kijkt of naar de structuur van het papier waarop die huid is gesuggereerd. Het mooist getekende, zeg maar gerust met krijt afgetaste gezicht op de tentoonstelling is de bezorgde, gekreukelde kop van Kets vader uit Museum Boijmans Van Beuningen. Een drooggevallen rivierdelta met ogen en een neus, wenkbrauwen en een snor.

In Zelfportret met waskom (ca. 1930) hangen er druppeltjes aan Kets natte haren en zijn zelfs de donshaartjes op zijn bovenarm te onderscheiden van de contourlijn. Andere, kleinere tekeningen van alleen zijn hoofd doen denken aan portretten uit de late Middeleeuwen, zowel door de krappe kaders als door de haarscherpe details. Je kunt je voorstellen dat Ket dacht: vanmiddag ga ik dat oor in de schaduw afmaken, en hoe het licht toch nog een paar randjes in de oorschelp raakt.

Om ongemakkelijk van te worden

In sommige van de krappe kaders zag hij toch nog kans een stukje hand met een scherpgeslepen potlood te laten zien – wat ons er nog maar eens aan herinnert dat dit alles gewoon met zo’n potlood tevoorschijn is getoverd: de monden en de kragen, de vingers en het potlood dat ze vasthouden.

Soms is het om ongemakkelijk van te worden, zo precies als Ket tekende. Maar hij breide niet braaf details aan elkaar. Hij hield het geheel in de gaten, werkte van grof naar steeds fijner. Zijn nauwgezetheid is niet klerkerig, niet plichtmatig. Ket bekeek en tekende al die details zo gretig omdat hij uit zijn kleine leven wilde halen wat erin zat. Op de muur naast het Zelfportret met waskom staat een citaat: „Dat ik er zo lang op werk, dat ik bijna het uiterste verlang, is omdat ik het leven zo doelloos vind als je er niet het beste van maakt.”

Deze en andere brieffragmenten (er liggen ook veel originele brieven in vitrines) geven je als bezoeker het gevoel dat je door de kunstenaar zelf wordt rondgeleid, langs tekeningen die dus ook nog vaak zijn eigen gezicht voorstellen. Je komt heel dichtbij. Zo dichtbij als je maar zelden bij een dode kunstenaar komen kunt.