Opinie

Burgemeester, doe juist alles om betogingen te faciliteren

Het recht om te demonstreren is fundamenteel, schrijft Britta Böhler. Vaardig bij betogingen dan ook geen ‘noodbevelen’ voor arrestaties uit.

Sinds de verkiezingen op 8 november protesteren er in de Verenigde Staten dagelijks tienduizenden mensen tegen de toekomstige president. In New York, bijvoorbeeld, marcheerden meer dan 25.000 Trump-tegenstaanders over de 5th Avenue naar de Trump Tower. Er was veel politie op de been, uiteraard, maar verboden werd de demonstratie niet. Op diezelfde dag wilde in Nederland een groepje van tweehonderd betogers van de actiegroep Kick Out Zwarte Piet tijdens de intocht van Sinterklaas demonstreren tegen Zwarte Piet. Maar dat mocht niet.

Want de burgemeester van Rotterdam had op vrijdagavond lucht gekregen van de geplande demonstratie en had deze in allerijl verboden. Maar dat niet alleen: er werd bovendien een zogeheten noodbevel uitgevaardigd dat de aanhouding van de betogers mogelijk maakte. Toen de demonstranten op zaterdagochtend in Rotterdam arriveerden, werden ze door de politie tegengehouden en vervolgens werden alle betogers (alsmede een aantal omstanders) gearresteerd.

De handelwijze van burgemeester en politie in deze kwestie werpt een aantal vragen op. Ten eerste is het meer dan twijfelachtig of het noodbevel gerechtvaardigd was. Een noodbevel is een van de meest ingrijpende bestuurlijke middelen omdat hierdoor de vrijheid van meningsuiting en de demonstratievrijheid buiten werking worden gesteld.

De burgemeester moet alles doen om demonstraties te faciliteren, ook indien de inhoud van de betoging door (een deel van) de bevolking als controversieel kan worden beschouwd. Het recht om in het openbaar te betogen en in het kader daarvan ook controversiële meningen te uiten, is immers een van de meest fundamentele beginselen van elke rechtsstaat.

Volgens de gemeentewet mag een noodbevel dan ook alleen worden ingezet in geval van „ernstige wanordelijkheden, rampen, zware ongevallen of de vrees daarvoor”, in uitzonderlijke noodsituaties dus.

Volgens hoogleraar bestuurlijk sanctierecht Henny Sackers was er in Rotterdam „geen sprake van een noodsituatie”. Verder werden in Rotterdam niet alleen de actievoerders maar ook omstanders aangehouden, onder wie een advocaat, mijn oud-kantoorgenoot Michiel Pestman. Pestman was naar eigen zeggen naar Rotterdam gereden om de demonstratie te observeren.

Toen de demonstranten door de politie werden ingesloten, ging Pestman naar de groep opgehouden betogers toe om hun uitleg te geven over de situatie. Maar daarna mocht hij de groep niet meer verlaten en werd, net als de betogers, aangehouden.

De aanhouding van advocaten tijdens en vanwege de uitoefening van hun werk is in een rechtsstaat altijd uiterst bedenkelijk. Even bedenkelijk is het feit dat omstanders die niet tot de groep actievoerders behoorden door de politie eveneens werden aangehouden.

Het vertrouwen in het rechtsstatelijke optreden van de politie wordt nog verder aangetast omdat het Team Paraatheid Rotterdam, belast met de beveiliging van de intocht, op diezelfde zaterdag een waarschijnlijk grappig bedoelde foto op Twitter plaatste, waarbij het team als Zwarte Pieten poseerde, met daaronder de tekst: „Wie zoet is krijgt lekkers, wie stout is de Parate Eenheid.”

Het spreekt vanzelf dat deze foto niet betamelijk was en het aanzien van de politie heeft geschaad. Want de politie dient te allen tijde neutraal te zijn en zich niet te mengen in het maatschappelijk debat. De tweet werd weliswaar vrij snel verwijderd, maar toen was het kwaad al geschied.

Ook in Nederland is men terecht bezorgd over de gevolgen die de Amerikaanse verkiezingen zouden kunnen hebben voor de rechtsstatelijke grondbeginselen van dit land en velen steunen de anti-Trumpbetogers. Het is jammer dat er niet even bezorgd wordt gereageerd op de weinig rechtsstatelijke omgang met demonstraties in ons eigen land.