Recensie

Subtiel lokt Kehlmann je naar onbekend terrein

Kennelijk hangen die dingen in de lucht: een schrijver van een jaar of veertig, type voormalig wonderkind, schrijft een roman over het gezinsleven van een scenarioschrijver, over de druk van het ouderschap en een door een mobiele telefoon aangejaagde overspelgeschiedenis.

De Amerikaan Jonathan Safran Foer deed het met Here I am en nu volgt de Duitser Daniel Kehlmann (1975) met Je had moeten gaan – zelfs de titels lijken de dialoog met elkaar aan te gaan. Intussen zijn de verschillen groot: Foer gebruikte 639 volle pagina’s om zijn lezer mee te voeren, Kehlmann beperkt zich tot 96 bladzijden met flink wat wit.

En waar Foer het gezinsverhaal verbond met politiek, geloof en literatuur, sluit Kehlmann zich op in het hoofd van zijn verteller. Die heeft met vrouw en dochter een afgelegen vakantiehuis betrokken in de bergen, waar hij hoopt te werken aan het scenario van Allerbeste vriendin II, het vervolg op, u raadt het, Allerbeste vriendin. We lezen het schrift (vol onafgemaakte zinnen) dat de hoofdpersoon bedoeld had voor zijn scenario, maar waarin al snel zijn huiselijke en geestelijke beslommeringen de volle aandacht eisen.

Daar zit veel angst bij. Voor haarspeldbochten, voor de producer van de film en uiteindelijk voor het huis zelf, waar het lijkt te spoken. Geleidelijk aan geeft Kehlmann zich steeds meer over aan een mild surrealisme. Maar dat is niet het enige. Knap lokt Kehlmann je ook mee naar vragen over de aard van literatuur. Zo is er een indringende scène met een even mysterieuze als trage dorpskruidenier: ‘Stuk voor stuk werkten we het lijstje af. Elk artikel haalde hij apart, en hoewel het de gangbare levensmiddelen waren, moest hij naar sommige zo lang zoeken dat het leek alsof er nooit iemand om had gevraagd. Hij haalde in plasticfolie verpakte worst en een paar knoestige appels en twee wel heel vlekkerige bananen en filterkoffie en koffiefilters en melk en uiteindelijk zei ik: Dank u, dat was het.’ Schitterende scène, denk je dan als lezer. Waarop Kehlmann zijn scenarioschrijver in gedachten de kruidenier meteen zijn film indenkt: ‘Fehringer moet hem spelen, dacht ik. Dit kan ik allemaal gebruiken en Fehringer zou perfect zijn.’

Daar zit je dan. Want wat moeten we nu denken van de wonderlijke ontmoeting met de kruidenier? Is dat inderdaad een mooie literaire scène of het soort effectbejag waar blockbusterfilms mee vol zitten? En maakt dat wat uit?

Zo is Je had moeten gaan niet alleen een novelle die je snel uit hebt, maar vooral een die je dadelijk wilt herlezen, op zoek naar nieuwe schaduwen en vreemde geluiden. Zoals de al genoemde kruidenier veelbetekenend zegt: ‘Maar eerst stond er een ander huis.’ Misschien betekent het niets, misschien juist alles – die waardevolle verwarring wordt door Kehlmann prachtig opgeroepen.