Gerechtelijke dwalingen in Nederland; ze komen vaker voor dan je denkt

Ton Derksen, wetenschapper Lucia de Berk kwam mede dankzij hem vrij. Maar justitie dwaalt veel vaker, betoogt Ton Derksen in een nieuw boek. Politie en OM manipuleren omdat ze vinden dat ze de maatschappij moeten beschermen. Maar niemand wil dat horen.

Foto: Robin van Lonkhuijsen/ANP

Hoeveel smeekbeden van veroordeelden heeft de gepensioneerde hoogleraar Ton Derksen (1943) de laatste jaren wel niet ontvangen? Hij denkt er even over na, zijn vrouw Henny peinst mee. Samen komen ze op zestig tot zeventig. Ze herkennen de enveloppen en het type handschrift inmiddels. Op de piano ligt er weer één, wijst hij. Derksen maakte destijds naam met zijn analyse van de foutieve veroordeling van de Haagse verpleegkundige Lucia de Berk, die mede tot haar vrijspraak leidde. Sindsdien bestudeerde hij veertien zaken intensief – hij kan niet alles aannemen en schrijft dus regelmatig „weer zo’n teleurstellende brief”.

Een enkele keer is er een succesje – laatst kreeg hij nog iemand vrij die tot tien jaar was veroordeeld – maar vaak loopt het mis. De drempel voor herziening in het strafrecht is veel te hoog. In plaats van de eis dat er een ‘novum’ moet zijn, een nieuw feit dat indien bekend een ander oordeel had opgeleverd, werkt volgens hem de Britse maatstaf van de ‘real possibility’ van onschuld veel eerlijker. ‘Plausibele onschuld’, aantoonbaar op basis van het bestaande dossier – het komt veel voor, zegt hij. Hoe kan het anders dat in Engeland met een bevolking – die slechts drie keer zo groot is – van 1998 tot 2006 bij 54 mensen een veroordeling wegens moord werd herroepen? „In Nederland was dat in diezelfde periode twee, en tot 2016 vijf!” De zeventig vaak emotionele verzoeken op zijn deurmat na Lucia lieten Derksen niet los. Hoeveel onschuldigen zouden er ‘netto’ in Nederlandse gevangenissen zitten?

De meest bekende gerechtelijke dwalingen:

Hogere foutmarge

Dinsdag komt het resultaat uit. Het boek Onschuldig vast probeert een wetenschappelijk antwoord te geven op basis van empirisch onderzoek, interviews, ervaring met individuele zaken, buitenlandse vergelijkingen, analyse van de strafrechtpleging, kennis van cognitieve instincten en waarschijnlijkheidstheorie – zijn specialisme. Derksen beredeneert, mede op basis van de relatief veel hogere Engelse, Noorse, Schotse en Amerikaanse herzieningscijfers, dat de foutmarge van het Nederlandse strafrecht veel hoger moet zijn.

Hij vindt bij veelplegers een percentage foute veroordelingen tussen 4 en 7 procent. Bij ‘grootplegers’ (moord, verkrachting) ligt dat tussen 7 en 15 procent. Onder levenslang gestraften is het foutpercentage minimaal 11,4. Maar 17 procent houdt hij ook voor ‘goed mogelijk’.

Minimaal duizend onschuldigen zouden hier per jaar schuldig worden bevonden. Wat ook betekent dat er evenzovele echte daders voortvluchtig zijn. Hoe zwaarder het misdrijf, hoe makkelijker de rechter genoegen neemt met zwakker bewijs, vond hij, en hoe hoger het risico op een onjuist vonnis. Noors onderzoek onder strafrechters kwam bij de zwaarste zaken zelfs op een (impliciet) geaccepteerd foutpercentage van 17 procent uit.

Dat getal steekt schril af tegen de netto vijf justitiële dwalingen die justitie heeft erkend: de zaken-De Berk en -Ina Post, de Puttense moordzaak, de Schiedammer parkmoord en de Showbizzmoord. Dat zou optellen tot een nauwelijks waarneembaar foutpercentage van vele cijfers na de komma, en dus wijzen op een vrijwel feilloos werkend rechtssysteem. Dwalingen worden in de rechtspraak vooral gezien als witte raven: uitzonderingen in een systeem dat foutloos werkt. Anders zouden er immers wel meer herzieningen slagen. Een cirkelredenering waarover Derksen zich opwindt. Dat de Nederlandse strafrechtketen minder fouten dan elders produceert acht hij onwaarschijnlijk. Foutloze systemen bestaan nergens, net zomin als feilloos opererende politiemensen, officieren of rechters.

Fouten zijn onontkoombaar

De wetenschapsfilosoof Derksen is een ‘fallibilist’: hij gaat ervan uit dat fouten onontkoombaar zijn en mensen in hun overtuigingen, aannames of begrip van de feiten nooit perfect zijn. Wat hij ook niet erg vindt, zolang het maar onder ogen wordt gezien. Maar in de herzieningszaken waarbij hij betrokken was, leek het wel „alsof het me kwalijk werd genomen” dat hij op fouten wees. Dat deed hij aanvankelijk op de onbekommerde manier die hij in de filosofie gewend was. „Daar hak je op een ander in, die hakt dan terug en dan gaan we samen naar buiten en is het allemaal over”.

In de wereld van recht en vervolging ligt dat anders, ontdekte hij. Daar kun je niet vrijuit spreken en wordt harde kritiek gezien als wantrouwen of een aanval op iemands integriteit. Juristen worden opgevoed met een niet te schokken vertrouwen in het rechtssysteem, constateerde hij. Dan is zijn bruuske mededeling dat er in de strafrechtpleging gelogen wordt niet erg welkom.

Is dat onkunde, domheid, kwade trouw? Derksen probeert voorzichtig te zijn – hij kan de deuren al horen dichtslaan. Verschillende bijeenkomsten met magistraten mislukten omdat hij er ‘te hard’ in ging. OM en politie zouden de rechter vooral willen behoeden voor een verkeerd oordeel – en dus worden taps verkeerd uitgewerkt, ontlastend bewijs achtergehouden, daderkennis ingeprent bij onschuldigen of informatie bewust fout eenzijdig geïnterpreteerd. Het is liegen voor een ‘hoger goed’. Het is ‘immers’ aan politie en OM de maatschappij te beschermen tegen de dader, die het gedaan heeft en onder geen beding mag vrijkomen, zo luidt zijn theorie.

Types van suikerwater, die rechters

Wat meespeelt is dat officieren niet tegen rechters opkijken, zoals burgers meestal wel. Integendeel, als een officier van justitie overstapt naar de rechtspraak ziet men dat binnen het OM als een stap terug, niet als promotie. Types van ‘suikerwater’, die rechters, die in het goede spoor gehouden moesten worden. Ten bate van die noble cause wordt het manipuleren van bewijs gelegitimeerd, vermoedt hij.

Dat het onderwerp liegen taboe is, komt doordat erkenning ervan het vertrouwen in de rechtspleging voor de togadragers zelf catastrofaal ondermijnt. Het hele strafproces is immers gebaseerd op het uitgangspunt dat men op elkaars woord kan vertrouwen. Daarin is liegen ongehoord. Met dit boek hoopt hij het taboe te doorbreken. Hoewel hij zich geen illusies maakt over het publieke of politieke klimaat. „Justitiële dwalingen zijn tegenwoordig onterecht vrijgelatenen.” Dat mensen onschuldig worden opgesloten is in de publieke en politieke opinie eerder collateral damage van een systeem dat toch al te weinig mensen opsluit. En hijzelf wordt dan gezien als „de man die al die boeven wil loslaten”, zo weet hij.

Bij zijn interviews had Derksen geen toegang tot het OM, dat niet met hem wil praten. Hij had wel toegang tot de politie, de strafrechters en het gevangeniswezen, waar hij steekproeven en interviews hield. Van politiemensen en gevangenisdirecteuren die dachten dat het in gemiddeld ‘10 procent’ van de zaken fout was gegaan, tot veelplegers die (na correctie) aangaven dat 6,4 procent van hun eigen veroordelingen onterecht waren.

Derksen heeft bescheiden verwachtingen van zijn boek. Er zijn maar weinig mensen met macht die zijn geïnteresseerd in onschuldigen die tot een celstraf zijn veroordeeld. De politiek zal zich er niet aan branden. Bij de rechtspraak of het OM is er geen wil om dwalingen op de agenda te zetten.

‘Hij zal het wel gedaan hebben’

Derksen komt met een reeks oorzaken voor de feilen van de strafrechtketen. Hij licht er twee specifieke uit: een slecht begrip van waarschijnlijkheden en onbekendheid met empirie. Zo is de politie te gemakkelijk in het construeren van een motief, meent hij. Wie zich in de buurt van een moord of een aanranding bevond en geldgebrek heeft of het slachtoffer best aantrekkelijk vond, krijgt van de politie snel een rol als verdachte toegedicht. Terwijl het aantal mensen met geldtekort vele malen groter is dan het aantal moordenaars. En mannen die vrouwen aantrekkelijk vinden zijn ook niet echt dun gezaaid. Maar in de politielogica is nabijheid voldoende voor verdenking.

Verder meent hij dat het verschil tussen passend bewijs en discriminerend bewijs feitelijk onbekend is in de strafrechtpraktijk. Om discriminerend bewijs te vinden moet er echt gezocht worden naar potentieel ontlastende informatie – en daar heeft de politie een ingebakken afkeer van. Discriminerend bewijs maakt het waarschijnlijker dat het ene is gebeurd en juist niet het andere. Met ‘passend bewijs’ kun je twee kanten op– dus ook naar schuldig, wat veel beter uitkomt als je de schuldige al denkt te hebben.

Bij langdurige onderzoeken ontwikkelt de politie een belang dat de verdachte ook daadwerkelijk de dader is. ‘Line-ups’ waarbij getuigen een dader in een rij moeten aanwijzen zijn riskant voor de politie. ‘Hun’ verdachte zou weleens niet aangewezen worden. Ze worden tot het laatst uitgesteld of geschrapt. Vooral om te voorkomen dat de verkeerde wordt aangewezen, vermoedt hij.

Strafrechters schrijven hun vonnissen nogal eens zo dat ze immuun zijn gemaakt voor weerlegging. Dat gebeurt door alles wat ertegen spreekt om te draaien en weg te redeneren. Waren de omstandigheden uiterst moeilijk om het misdrijf te plegen? Dan is dat juist een bewijs van de sluwheid en de vastberadenheid van de verdachte.

Derksen neemt ‘ongelooflijke tegenzin’ waar om zich met dit ‘onplezierige onderwerp’ bezig te houden. „Het lijkt ook zo vruchteloos.” De politie is te druk met de eigen reorganisatie. „Maar ik wil het zelf gezegd hebben. Ik heb geprobeerd het zo clean mogelijk te analyseren: ik wil niet achteraf het verwijt krijgen dat ik het niet heb gezegd. Ten opzichte van die mensen die onschuldig vast zitten is dit een moreel punt.”