Interview

De wereld door de ogen van jongeren in Osdorp of de Parijse Cité des Nuages

Corina Duijndam Hoe zien jongeren de wereld als zij opgroeien in Osdorp Amsterdam of in de Parijse Cité des Nuages? Corina Duijndam dook erin.

Foto Merlijn Doomernik

Over de wand in een Amsterdams buurthuis glijden onophoudelijk beamer-beelden van flatgebouwen, hangjongeren en huisvuil op straat, terwijl Franse rap een beetje benauwd door de speakers klinkt. Dan stopt de muziek en richt Corina Duijndam zich tot het zaaltje, waar pakweg 25 – overwegend witte – mensen zitten. Ze vraagt: „Wie van jullie is wel eens in een achterstandswijk geweest?”

Na enig gemompel – ‘wat is een achterstandswijk?’ – steken alle aanwezingen hun hand op. „Goed”, zegt Duijndam, „en wie heeft beste vrienden met een andere etnische achtergrond?” Aarzelend gaan zes handen omhoog. „Oh, dat is best veel”, vindt Duijndam. Doorgaans zit in een zaal in Nederland bijna niemand met een gemengde vriendengroep.”

Voor hen zijn mensen uit het centrum bijna als een biologisch andere soort.

Socioloog Duijndam spreekt geregeld bij bijeenkomsten over hoe groepen in de samenleving met elkaar omgaan en steevast stelt ze deze twee vragen over wijken en vrienden. „Dat doe ik ook in Frankrijk. En dan zijn de antwoorden precies andersom. Fransen die in het centrum van de grote stad wonen, komen nooit in een buitenwijk. Maar Fransen hebben vaak wel een gemengde vriendenkring.”

Duijndam weet dit doordat ze onderzocht tot welke groepen de jonge bewoners van (arme) buitenwijken in Nederland en Frankrijk behoren – in hun eigen ogen en in de ogen van de buitenwereld. „In Nederland bepalen etnische afkomst en religie de groep waartoe je behoort, in Frankrijk bepaalt je woonwijk met welke groep je je identificeert”, vertelt Duijndam enkele dagen na haar optreden. Dit onderzoek vormt het hart van haar eerder dit jaar verschenen boek De gekleurde werkelijkheid.

Hangen met jongeren

Haar onderzoek begon een jaar of tien terug in Osdorp, een buitenwijk in Amsterdam, waar veel migranten en hun kinderen wonen. Duijndam, toen nog student, sloot vriendschap met een buurmeisje van Marokkaanse komaf, dat met haar gemengde vriendengroep een uitzondering bleek te zijn. Alle andere vriendengroepen bleken etnisch vrijwel homogeen te zijn: Turks-Nederlands, Surinaams-Nederlands, autotochtoon-Nederlands enzovoort. „Mijn buurmeisje had één ‘Nederlandse’ vriendin en moest dat vaak verantwoorden tegenover haar andere vriendinnen”, vertelt Duijndam.

Duijndams observaties werden ondersteund door cijfers in rapporten van bijvoorbeeld het Sociaal Cultureel Planbureau en door internationale studies, waaruit bleek dat de scheidslijnen in Frankrijk anders lopen. Om dit laatste te onderzoeken, ging Duijndam een half jaar wonen in Cité des Nuages, een buitenwijk vol torenflats aan de noordkant van Parijs. Daar deelde ze een klein appartement met een sympathieke rokkenjager en sliep in een alkoof. Op de plaatselijke scholengemeenschap kreeg ze een baan als lerares Engels: „Ik hoefde niet echt te solliciteren. De school ging ervan uit dat ik als Nederlandse sowieso het Engels goed beheerste.”

In Osdorp en in de Cité ‘hing’ Duijndam maanden lang met jongeren. „Dat deed ik in Osdorp bij de voetbalkooi en op de plaatselijke scholengemeenschap. Verder organiseerde ik activiteiten zoals huiswerkbegeleiding, bij mij thuis of in het buurthuis”, vertelt Duijndam „In de Cité hing ik vaker in het buurthuis, waar ze veel tafelvoetbal speelden, en op de school waar ik werkte.” Ze had altijd een notitieblokje bij zich en noteerde wat ze de jongeren hoorde zeggen over identiteit, beeldvorming, wonen, vrienden, relaties, toekomstverwachtingen en discriminatie.

Over dezelfde thema’s interviewde ze ook tientallen jongeren in Osdorp en de Cité. „Mijn belangrijkste vragen waren: wie ben je en wie zijn je beste vrienden? En dan: vertel eens wat voor mensen je vrienden zijn”, licht Duijndam toe. „Ik keek dus hoe ze andere mensen en zichzelf omschreven. Wie voor hen de ‘wij’ waren en wie de ‘zij’ waren.” Typerend voor Osdorp was dat jongeren bijvoorbeeld zeiden: „Ik ben Mohammed, ik ben Marokkaans en moslim, net als bijna al mijn vrienden.” Typerend voor de Cité was de jongen die zei: „Ik ben Rachid en ik woon in de Cité des Nuages net als mijn vrienden.”

Mengelmoes van migranten

Die Franse vriendengroep is een mengelmoes van (nazaten van) migranten uit west- en noord-Afrika maar ook ‘Fransen’. Als Duijndam vroeg waar de vrienden vandaan kwamen, was het antwoord niet ‘uit Algerije’ of ‘uit Senegal’, maar ‘uit de Cité’. Voor jongeren in de Cité is de ander niet iemand met een andere afkomst, maar iemand uit een andere wijk. Duijndam: „Dat deed me wel denken aan mijn jeugd in een klein Zuid-Hollands dorp, waar we het nabijgelegen dorp als de vijand beschouwden.”

Bewoners van de Cité voelen vooral een enorm afstand tot de – veelal bevoorrechte – bewoners van het Parijs binnen de rondweg, de Peripherique. „In de verhalen van de jongeren is de Peripherique een symbolische grens is. Zo van: aan de andere kant is het centrum, het succes, de erkenning; daar kunnen wij toch niet komen”, vertelt Duijndam. „Voor hen zijn mensen uit het centrum bijna als een biologisch andere soort.”

Dat de scheidslijnen in Nederland en Frankrijk zo anders lopen, komt mede door het verschil tussen de Nederlandse verzuiling en de Franse laïcité, het principe dat de staat en het openbare leven strikt neutraal moeten zijn. Dat is tenminste het vermoeden van Duijndam. „Migranten kregen in het verzuilde Nederland lang subsidies voor ‘Turkse’ of ‘Marokkaanse’ culturele activiteiten, met het idee dat ze zich zo konden emanciperen”, zegt Duijndam. De ‘laïcité’ in Frankrijk verbiedt juist elke culturele eigenheid in het openbare leven en eist dat alle burgers eerst en vooral Frans zijn. „In de Cíté voelen de mensen zich óók Frans. Er is een soort nationale gemeenschapszin. Fransen zijn samen iets. Die gemeenschapszin heb je in Nederland niet.”

Ik schrik wel van hoe heftig de haat van jongeren is tegen Het Systeem zoals ze dat noemen

Integendeel, in Nederland wordt al decennia onderscheid gemaakt tussen ‘autochtonen’ en ‘allochtonen’. Onlangs hebben twee belangrijke instellingen – WRR en CBS – besloten om de term ‘allochtoon’ af te schaffen. Tot grote vreugde van Duijndam, die al lang ageert tegen de term: „Ik geloof in de kracht van woorden en dit woord heeft een werkelijkheid gecreëerd, waarin mensen altijd als ‘anders’ worden beschouwd. Voor jongeren die als ‘allochtoon’ worden aangesproken, heeft dit grote symbolische waarde. Vaak hoor ik in gesprekken dat voor hen de term betekent: tweederangs burger. ‘Ik zal altijd allochtoon blijven, ik hoor er nooit echt bij, hoe goed ik ook mijn best doe, de taal spreek, werk of me aanpas’.”

Beladen term

De Nederlandse bevolkingsonderzoeken zijn ook doordesemd met de beladen term . „We hebben een hele entertainmentindustrie met eindeloos veel gegevens over allochtonen en werk, allochtonen en criminaliteit, enzovoort”, zegt Duijndam „In Frankrijk ligt de focus veel minder op etniciteit en meer sociaal-economische verschillen.”Dat maakt de Nederlandse en de Franse onderzoeken ook slecht te vergelijken. Dat merkte Duijndam bijvoorbeeld bij de studies over interetnische huwelijken. „Want wat is etniciteit? Gaat het om kleur? Om religie? Om afkomst? Als iemand van de derde generatie-migrant trouwt met een Fransman is dat dan nog steeds interetnisch?”, vraagt Duijndam zich af. „Ik heb de cijfers daarom niet één-op-één vergeleken, maar ik heb de cijfers in beide landen beschreven. En dan zie je dat dit soort huwelijken in Frankrijk veel vaker voorkomt dan in Nederland.”

In de jaren na haar embedded-bestaan in Osdorp en Cité des Nuages is Duijndam vaak teruggekeerd in de buitenwijken. Ze zag in Nederland maar meer nog in Frankrijk de islam steeds belangrijker worden voor de identiteit van de jongeren. „Iemand in Nederland zegt nu eerder: ‘Ik ben moslim dan ik ben Turk’. Franse jongeren zeggen steeds vaker: ik ben moslim. Dat komt ook doordat ze in de media steeds horen: buitenwijken = criminaliteit, islam, salafisten, extremisten, terrorisme. Het is een reactie op hoe ze worden gelabeld.”

Zeker sinds aanslagen op Charlie Hebdo en Bataclan, is de sfeer in Frankrijk erg verhard. „Ik schrik wel van hoe heftig de haat van jongeren is tegen Het Systeem zoals ze dat noemen: de media, de overheid, de politie. Frankrijk wordt gezien als de moeder der vijanden van de islam, onder meer omdat de laïcité, die bijvoorbeeld de hoofddoek op school verbiedt, wordt gezien als onderdrukking van het geloof. De sociaal-economische situatie is in de Franse buitenwijken ook veel ernstiger dan hier.”

Die haat is in Nederland veel minder, constateert Duijndam. „Maar kan die wel heftig zijn, bijvoorbeeld in de Schilderswijk.” In deze doodarme Haagse wijk doet Duijndam nu onderzoek naar het vertrouwen van de jongeren in de politie. Dat vertrouwen is gering door tal van incidenten, waaronder het overlijden van Mitch Henriquez door politiegeweld. „Ik zie veel woede, over wat jongeren zien als onrechtvaardigheid en racisme. Jongeren hebben het gevoel dat de politie op hen jaagt, dat de staat het op hen voorzien heeft”, zegt Duijndam.Wat er feitelijk gebeurt, is nauwelijks te achterhalen, ontdekte Duijndam. „De verhalen van de jongeren verschillen onderling heel erg, soms over een en dezelfde gebeurtenis, en hun verhalen zijn weer heel anders dan het verhaal van de politie. Daarom doen we onderzoek naar welke verhalen er de ronde doen.”De botsingen in de Schilderswijk kunnen grimmig zijn, net als die in de Zwarte Pieten-discussie in heel Nederland. Toch is Duijndam vrolijk gestemd, zeker sinds de Sinterklaasjournaals op tv de schoorsteenpieten hebben binnengehaald. „Ik heb het gevoel dat er een opening is gekomen. De discussie is heftig doordat allerlei dingen worden uitgesproken, maar dat er ook mensen zijn die opstaan en zeggen: dit gaat zo niet verder, er moet wat veranderen”