Man van donderwolken en taxatiefouten

André Bolhuis De voorzitter van NOC*NSF, maandag weer achter de bestuurstafel, kreeg dit jaar veel kritiek. Hij kan zomaar ontploffen, maar is geliefd om zijn sporthart.

Foto Gregor Servais/debeeldunie.nl

Plotseling, op een augustusavond in Rio de Janeiro, ontplofte hij. Een onzichtbare donderwolk dreef André Bolhuis van zijn stoel in de handbalhal naar een cameraman van het Zuid-Koreaanse vrouwenteam, die voortdurend luidkeels de scheidsrechters uitschold. Eenmaal neus aan neus met de Zuid-Koreaan schreeuwde hij een aantal keren keihard recht in zijn gezicht. Een verbazingwekkend tafereel en ongepast voor een voorzitter van een nationaal olympisch comité, maar niet onverwacht van Bolhuis. De hoogste Nederlandse sportofficial heeft vaker soortgelijke uitspattingen.

Kenmerkend voor Bolhuis om op zo’n moment, de slotfase van de spannende olympische wedstrijd Nederland-Zuid-Korea (32-32), te exploderen. Als de zindering toeneemt en hij meegaat in de emotie komt de oud-sporter, maar vooral de vechtjas in hem boven. Dan beheersen emotionaliteit en impulsiviteit zijn gemoedstoestand. Weg is de ratio. Onder normale omstandigheden weet de voorzitter van sportkoepel NOC*NSF zich keurig te gedragen, maar onderhuids borrelt grimmigheid; het gevaar van een uitbarsting ligt altijd op de loer. Bolhuis bestuurt zoals hij hockeyde: hard en fair maar soms over het randje.

Het typeert Bolhuis eveneens dat hij maandagavond de algemene najaarsvergadering van NOC*NSF voorzit. Menigeen in zijn schoenen had ontslag genomen toen in mei van dit jaar een rapport met een scherp oordeel over zijn functioneren verscheen. Niet Bolhuis, nadat een commissie onder leiding van de Bredase burgemeester Paul Depla hem solistisch gedrag had verweten in de gemiste poging de Europese Spelen van 2019 naar Nederland te halen. Letterlijk: ‘De voorzitter opereerde op vele momenten alleen en zonder ondersteuning, waarbij signalen, vragen en adviezen geen, onvolledige of onjuiste opvolging kregen. Veel betrokkenen geven aan dat de NOC*NSF-voorzitter een profiel heeft van een uitstekende ‘verteller’ maar een matige ‘luisteraar’.’

Intern bij de sportkoepel wogen de gevolgen zwaar, want de relatie met het ministerie van Sport en minister Edith Schippers in het bijzonder bekoelde sterk. Schippers voelde zich ernstig gepasseerd bij de kandidatuur voor de Europese Spelen en trok, toen het op subsidiëring aankwam, de stekker uit het plan. Intussen zijn de verhoudingen genormaliseerd, en heeft Schippers onlangs 12,5 miljoen extra voor de sport uitgetrokken, maar een litteken blijft.

Het was niet Bolhuis’ eerste olympische taxatiefout. Vier jaar daarvoor steunde hij openlijk het kabinetsbesluit een dikke streep door de kandidatuur voor Olympische Spelen in 2028 te zetten. Tot woede van veel sportbonden, die Bolhuis gebrek aan loyaliteit verweten. De kritiek deed hem verschrikt 180 graden van standpunt veranderen.

Olympisch antenne

Het jaar erop gaf Bolhuis opnieuw blijk van een slecht afgestelde olympisch antenne, toen zijn poging IOC-lid te worden werd verhinderd door een kongsi van de twee voormalige IOC-leden koning Willem-Alexander en Hein Verbruggen. Zij schoven, met succes, hun wens-kandidaat Camiel Eurlings naar voren.

Veel bonden zouden het niet gek hebben gevonden als Bolhuis na de kritische rapportage over de Europese Spelen de eer aan zichzelf had gehouden – en er werd even gefluisterd dat daar ook sprake van was. Maar zo makkelijk laat Bolhuis zich niet aan de kant zetten. Daarvoor heeft hij te veel eigenwaarde en is hij te strijdbaar. Bovendien weet hij zich door een aantal bonden gesteund. De makke bij de kritische bonden is dat zij bij Bolhuis’ herverkiezing, een jaar geleden, ernstig in gebreke zijn gebleven met een tegenkandidaat. Destijds was hun afkeer helder, en sprak een select gezelschap bondsvoorzitters pas zijn steun uit op voorwaarde dat Bolhuis zijn bestuursstijl, in het bijzonder zijn solistisch optreden, zou aanpassen.

Maar intrinsiek veranderen blijft moeilijk voor Bolhuis. Hij is en blijft een exponent van het old school bestuurskader. De opvatting dat de troepen de aanvoerder behoren te volgen is nog sterk in hem verankerd. Bolhuis heeft ook zijn eigen visie op democratische processen. Hij is het type dat het liefst de meningen aanhoort om dan een besluit te nemen. Geen man van oeverloze besprekingen.

Maar als het om sport gaat, heeft Bolhuis een groot hart. Hij wordt gewaardeerd als hockey-international en als chef de misson van de Zomerspelen in 1992 (Barcelona) en 1996 (Atlanta). In die laatste rol was Bolhuis de eerste aanjager van de gesubsidieerde topsportprogramma’s, een lijn die daarna is uitgewerkt en verfijnd door achtereenvolgens Joop Alberda, Charles van Commenée en Maurits Hendriks. Zijn sporthart is altijd blijven kloppen. Mede daardoor heeft hij op tribunes zijn emoties soms niet in de hand.

Zijn bestuurlijke fouten, evenals die omstreden openbare optredens, worden Bolhuis niet dermate zwaar aangerekend dat hij moet opstappen. Mildheid wint het in zijn geval voortdurend van strengheid. Er is voor hem krijgt ook een zekere mate van respect. De voorzitter wordt deels gesteund en deels gedoogd.