Recensie

Kader Abdolah is alleen onbedoeld geestig

De Perzische sjah in het laatste boek van Kader Abdolah is er eentje met oogkleppen op. Zijn reis door het 19de-eeuwse Europa zit er al zo ongeveer op als hij een bittere constatering doet: ze hebben hem hier in den vreemde al die tijd als een wandelend museumstuk beschouwd. Of hoe Abdolah de sjah en zijn gevolg in een krachtige metafoor typeert: ‘een soort dinosaurus, en die lange karavaan was zijn staart.’

Je voelt de melancholie bijna indalen bij de sjah op dat moment, maar het is helaas niet het enige dat je voelt. Want wat overheerst is vooral de constatering dat Abdolah een prachtige roman had kúnnen schrijven over dit gegeven van een machtige man die op een ander continent totaal machteloos en bespottelijk ouderwets is. Want over de naïviteit van de sjah gaat Salam Europa! niet. Het boek is in wezen niet meer dan een soort historische verslaggeverij, waarin alle Europese pleisterplaatsen van belang worden aangedaan. En in die pleisterplaatsen ontmoet de sjah de usual suspects die een gemiddelde middelbare scholier met dat tijdsgewricht in verband brengt: koning Leopold II in België, Tolstoj in Rusland, Bismarck in Duitsland.

Lange tijd denk je dat Abdolah (1954) meer in zijn schild voert dan onschuldige geschiedschrijverij. Zo voert hij een hedendaagse verteller op die de reis van de sjah aan de hand van privé-notities construeert. Deze Amsterdamse academicus beleeft zelf ook het een en ander. Soms bezoekt hij de plekken die de sjah destijds aandeed, maar soms ziet hij zichzelf ook geconfronteerd met de onverkwikkelijkheden van deze tijd: hij struint in het Brusselse Molenbeek rond als daar de politie op zoek is naar Salah Abdeslam, hij bladert door een heruitgave van Mein Kampf, hij beziet de vluchtelingenstroom uit Afrika, die in Nederland op veel tegenstand stuit.

Dat zijn dus in totaal twee verhaallijnen, maar het blijft onduidelijk waar de reis van de sjah en de bevindingen van de academicus elkaar raken of spiegelen. Je komt uiteindelijk niet veel verder dan vast te stellen dat er heus tijden zijn geweest waarin vreemdelingen – dinosaurussen of niet – met meer egards werden ontvangen dan heden ten dage vaak het geval is.

Geestig is het boek (dat overigens nergens een ‘roman’ wordt genoemd) alleen onbedoeld. Als de sjah in Engeland bekent graag ‘jonge, verse kropsla’ te eten, realiseert hij zich dat ergens in een koffer nog een lekkere dressing van thuis verstopt moet liggen. Zijn moeder gaf hem die mee toen hij op reis ging, terwijl ze tegen hem zei: ‘Daar hebben ze ook ongetwijfeld sla, jongen.’